Vlinders

© Sanne Glasbergen

‘Maar hoe zie je dat dan? Hoe zie je of iets écht goed is?’

De slush pile is verdeeld over vier bureaus en reikt nog net niet tot aan het plafond, en de nieuwe stagiair ploetert zich vertwijfeld met de redactie door de stapel manuscripten van zichzelf spectaculair overschattende pensionado’s, psychiatrische patiënten en potentieel toptalent.

Want dat kan er tussen zitten. Collega Sander haalt in zo’n geval altijd graag zijn anekdote over Dimitri Verhulst van stal. Hoe hij het Vlaamse wonderkind als ruwe diamant uit de stapel viste en hem oppoetste tot Librisprijswinnaar.

Telkens als een stagiair mij die vraag stelt denk ik terug aan die keer dat ik, meer dan tien jaar geleden, zelf voor het eerst door die stapel ging. Ik deed het niet slecht voor een eerste keer, want ik ontdekte Gerbrand Bakker, maar die had Cossee net ook al ontdekt. En getekend. Hoe dan ook gaf dat me enig vertrouwen in mijn oordeelkundig talent.

Een paar weken later had ik weer beet. In de begeleidende brief zag ik dat het hier om een Echte Schrijver ging — hij had Echte Boeken gepubliceerd! In de jaren zeventig, dat wel, maar: bij een zeer gerenommeerde uitgever, en veertig jaar later nog steeds met aardig wat hits op Google. Mensen vonden hem dus goed. Ik zag ook dat hij literair schreef. Hij gebruikte veel beeldspraak, veel ongebruikelijke woorden en woordcombinaties, zijn taal zong een beetje. Beetje gedateerd oogde het wel, maar: dit was nou eenmaal wat mensen onder literatuur verstonden. Toch? Ik stuurde hem meteen een jubelende mail, want er waren ongetwijfeld meer kapers op de kust, het manuscript was al een week of wat binnen, voor hetzelfde geld was Cossee me weer voor, en ik liet de auteur weten dat ik alleen nog maar de uitgever hoefde te overtuigen en dat het dan in principe rond was.

Ik had mijn leermeester Tom Harmsen, inmiddels uitgever bij Luitingh Sijthoff, nog nooit zo streng en ontstemd gezien. Dat ik dat toch nooit aan iemand mocht beloven. Hij vond de tekst gedateerd, potsierlijk, nuffig, wannabe literair. Op hangende pootjes wees ik mijn ontdekking alsnog af. We hebben nooit meer iets van hem gehoord.

Het was de eerste harde les in oordeelkunde. Er zouden er nog vele volgen. Natuurlijk: een mens — en dus ook een redacteur — heeft voorkeuren, intuïtie, smaak. Maar het is net even wat anders om te bepalen waar een tekst staat op een schaal van 1 tot 10. En vooral: waar hij kan komen.

De 10 is eenvoudig. Dat is Het slot van Kafka, je favoriete boek, dat transcendente meesterwerk. Voor de 1 geldt hetzelfde. Maar hoe herken je de 5, de 6, de 7? En hoe zie je of iets een 8 of een 9 kan worden? Want voor minder doen we het niet.

Het antwoord dat ik een stagiair meestal geef: dat leer je vanzelf. Door honderdduizend teksten door je handen te laten gaan. Door 99 keer op je bek te gaan en de 100e keer te slagen. En dan weet je het vaak ook meteen. Zolang je goed luistert naar de vlinders in je buik. Heb je die niet: move on. (Belangrijkste les die Tom me ooit gaf.) Maar het wordt pas echt fijn als andere mensen diezelfde vlinders voelen. De uitgever. Je eigen vrouw. Een recensent. Een boekverkoper. Tienduizend lezers. De jury van een literaire prijs.

Dat is misschien wel het grootste genot. Ik ervoer het toen Hanna Bervoets vorige week in 24 uur tijd zowel de Frans Kellendonk Prijs als de BNG Bank Literatuur Prijs won.

Deze tekst verscheen eerder op Boekblad.