Wormen en engelen

Ik heb in de loop der tijd met best wel wat schrijvers gewerkt en steeds meer kom ik tot de conclusie dat goede literaire auteurs mij altijd een beetje in de war brengen. Een klein beetje maar.
Ze moeten me op een of andere manier het licht onbehaaglijke gevoel geven dat je ze niet kunt grijpen, niet kunt vangen. Als dat gevoel ontbreekt, dan is er iets mis.
Gelukkig wist ik dat nog niet toen ik Maarten van der Graaff leerde kennen, een paar jaar geleden. Want Maarten gaf mij juist een opvallend behaaglijk gevoel. Hij kwam me voor als een ongecompliceerde, goedlachse jongeman met een bepaald soort on-Amsterdamsheid waarbij ik me als Groninger en import-Utrechter op mijn gemak voelde. Ik wist natuurlijk wel dat hij onder begeleiding van mijn collega Bertram Mourits triomfen vierde met tegendraadse, hemelbestormende poëzie, maar ik kende Maarten toch vooral als die gezellige gast uit de kroeg en de nachttrein naar Utrecht.
En toen was er ineens die roman waar hij aan werkte. Een roman die Bertram door zijn werkzaamheden als hoofdredacteur Non-Fictie niet kon gaan begeleiden. En waar ik mezelf voor naar voren schoof.
We gingen aan de slag. Al snel bleek dat we elkaar in intellectuele en artistieke zin goed konden vinden. Maar tegelijkertijd verdween iets van de ongedwongenheid van ons oppervlakkige contact uit het café. Niet gek natuurlijk: het bier werd verruild voor koffie en ineens stond er iets op het spel. Een van de meest gelauwerde jonge dichters van ons land waagde zich aan een roman en had in zekere zin alles te verliezen. Dat vond ik een nogal spannend idee.
Hoe dan ook: er gebeurde een aantal dingen:
· Ik kwam erachter dat Maarten eigenlijk helemaal niet zo ongecompliceerd was. En toch bleef hij ongecompliceerd.
· Ik kwam erachter dat Maarten eigenlijk helemaal niet zo jongensachtig was. En toch bleef hij jongensachtig.
· Ik kwam erachter dat Maarten eigenlijk helemaal niet zo goedlachs was. En toch bleef hij goedlachs. Et cetera.
En toen raakte ik dus toch een beetje in de war. Maarten bleek meer mensen tegelijk te zijn. Ik had geen duidelijk houvast meer in mijn relatie met hem. Geen vast punt. Ik moest meegaan met de bewegingen die hij maakte. Ik kon het me niet meer permitteren om mijn tot luiheid geneigde brein scherp te stellen op een soort Maarten van der Graaff-pop. Maarten van der Graaff was levend voor me geworden.
Misschien treedt deze verwarring, deze ongemakkelijkheid, per definitie op wanneer relaties zich verdiepen, of ze nou vriendschappelijk zijn of professioneel, of iets daartussenin. En toch heb ik de stellige indruk dat er hier net iets meer aan de hand is. Dat de mentale beweeglijkheid van Maarten iets is wat uniek is voor de écht goede literaire auteur, of voor de écht goede kunstenaar, in meer algemene zin.
In de eerste plaats is Maarten van der Graaff slim genoeg om in te zien dat een stabiele, consistente identiteit een illusie is — een constructie, bijeengehouden door een naam en een lichaam: ‘de e-mails versturende eenheid die ik mijn lichaam noem’, zoals een van mijn favoriete zinsneden uit Wormen en engelen luidt. De meervoudigheid van ‘ons zelf’ is in mijn ogen een belangrijk thema in de roman.
In de tweede plaats is hij niet bang om mensen te verwarren door ook daadwerkelijk de vrijheid te nemen om meerdere mensen tegelijk te zijn. Zoals hij het zelf zegt in het interview dat het AD met hem had: ‘Ik denk niet rechtlijnig; het leven is tenslotte voortdurend aan verandering onderhevig. Ik ben een rommeltje aan denkbeelden.’
En in de derde plaats is zijn geest zo vrij en beweeglijk dat hij in staat is om zich voortdurend tussen verschillende werelden te verplaatsen. En om vanuit de wereld van Flakkee te kijken naar de wereld van de Randstad. En vice versa. Of vanuit de wereld van het katholicisme naar de wereld van het protestantisme. En vice versa. Of vanuit de wereld van het vlees naar de wereld van het onstoffelijke. En vice versa. Alleen een écht goede literaire schrijver kan voortdurend nieuwe posities innemen en zo de wereld steeds opnieuw als nieuw maken.
Wormen en engelen is de weerslag van de meervoudige, wereldhoppende persoonlijkheid die Maarten van der Graaff is.
Hoofdpersoon Bram, de fictionele stand-in van de auteur, houdt van drugs en van lompe feesten, hij verkleedt zich als heks, hij is vriendelijk, hij is agressief, hij bijt zich vast in de analyse van zijn gelovige vrienden, of nee toch maar niet, hij begrijpt ze, hij begrijpt ze niet, hij gelooft in God, hij gelooft niet in God. Hij schiet regelmatig heen en weer in plaats en in tijd, hij wisselt van perspectief, hij reist naar Flakkee, hij reist naar Utrecht, hij kijkt neer op zijn dorpsgenoten, hij bewondert ze, hij haat zichzelf
272 pagina’s lang blijven Maarten van der Graaff en zijn team van personages en vertellers onvermoeibaar in beweging tussen verschillende werelden. Met iedere beweging weeft de auteur een nieuwe draad in het fijnmazige, wijdvertakte, veelkantige web van gebeurtenissen en gedachten — dat er steeds weer anders uit ziet, afhankelijk van waar je als lezer staat.
Daarom verwart Wormen en engelen een beetje. Een klein beetje maar. Net als Maarten zelf. En zo moet het ook. Je moet een beetje achter hem aan hollen. Want in een staat van lichte verwarring kom je ook als lezer tot je beste en meest bevredigende prestaties — in geen enkele andere toestand staan je zintuigen zo open, is je geest zo gescherpt, kan de wereld van een roman zo levend voor je worden.
Leve de verwarring, leve Maarten van der Graaff. Leve Wormen en engelen, de eerste grote roman van het nieuwe literaire seizoen.
