Waar zijn de media eigenlijk voor?

Maarten Keulemans heeft 7 redenen gepubliceerd om voorlichters geen volledige inzage vooraf te geven in artikelen die zijn geschreven over de organisatie van die voorlichters. Hij vindt het een proces van wantrouwen, dat de journalist neerzet als iemand die maar wat opschrijft, of te stom is om te begrijpen wat hem wordt verteld.

Er is over deze tweestrijd door de jaren van alles gezegd, dat voorlichters en journalisten elkaar nodig hebben, dat ze een gedeeld belang hebben bij een “goed stuk”, maar daarbij wordt over het hoofd gezien dat zij in principe concurrenten zijn over beeldvorming. Over wat een ‘goed stuk’ is, kunnen de partijen enorm van mening verschillen.

Journalisten hebben een lastige rol. Zij hebben naar verluidt weinig tijd voor eigen onderzoek, weinig tijd om te schrijven en ze moeten veel verschillende, complexe zaken eerst begrijpen en dan ook nog eens begrijpelijk opschrijven.

Tijdens interview situaties moeten beide partijen zich bewust zijn van het ongelijksoortige einddoel van de beide partners. Ik laat even in het midden wie na deze paringsdans uiteindelijk de ander aanvalt en opeet, maar het beeld is duidelijk: toenadering is risicovol, maar kan wat opleveren.

Interessant is de eerste reden die Keulemans opvoert: hij schrijft in de eerste plaats voor de lezer en dat zou onder druk komen te staan door inzage. Is het inderdaad de rol van de media om te schrijven voor de lezer? Wat mij betreft is het de rol van de media (en dus van de journalist) om de burger door informatie in staat te stellen de macht te controleren en in bredere zin geïnformeerde keuzes te maken. De macht is al lang niet meer alleen de politiek, maar zeker ook het bedrijfsleven en — ironisch genoeg — de burger zelf, als spiegelend, twitterend en soms schuimbekkend collectief.

De journalistiek heeft zelf veel macht ingeleverd, evenals de politiek en om soortgelijke redenen. Beiden zijn te vaak luchthartig omgegaan met hun maatschappelijke taak, beiden hebben zij hun populistische oren laten hangen naar de lezer of stemmer als klant en daarmee hun moreel leiderschap uit handen gegeven. Ook de macht van het collectief hadden zij wel wat meer mogen controleren.

Voorlichters (met name van bedrijven) hebben een heldere rol en dat is geen voorlichten, maar het begeleiden van beeldvorming. Journalisten stellen daar vaak tegenover dat zij slechts de feiten boven water willen krijgen, maar dat is naïef of huichelachtig. De reden dat ‘feitencheckers’ populairder worden is omdat journalisten — en wat mij betreft hoeven zij zich daarvoor niet te verschuilen — wel degelijk aan beeldvorming doen. Beeldvorming, keuzes maken over wat iets is, is inherent aan de verhalende vorm die journalistieke artikelen nu eenmaal meestal hebben. Volgens mij zei De Correspondent het ergens, maar het zal wel een bekende uitspraak zijn: niet objectief, wel onafhankelijk, en dat is precies de kern.

De media zouden zelfbewuster moeten worden en de autonomie moeten pakken die ze toebehoort. Voorlichters zijn woordvoerders, coaches en procesbegeleiders, geen reservejournalisten.

Accepteer dat journalisten en voorlichters partijen zijn met zowel een gedeeld als een eigen belang. En artikelen of secties laten checken? Alleen op verzoek van de journalist.

Like what you read? Give John Burger a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.