Zo schrijf je beter over kunst

Twee dont’s en één do

Presentatie Funda Gül Özcan op de Rijksakademie, 2017. Dit jaar werd zij door jury én publiek uitgeroepen tot winnaar van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs.

Het is eerder dit jaar. Ik sta op een niet nader te noemen kunstbeurs, in de stand van een niet nader te noemen galerie te praten met een niet nader te noemen kunstenaar. Het had iedereen kunnen overkomen, het overkomt iedereen. Ik was vandaag aan de beurt.

Het was intrigerende kunst. Ik stond er al even naar te kijken, toen de kunstenaar naast mij kwam staan. Het gesprek dat volgde, wat overigens meer een monoloog was van zijn kant, was tenenkrommend.

Er gingen daarin twee dingen mis. Ten eerste: het duurde te lang. Hij hield maar niet op. Ten tweede: er kwamen onbegrijpelijke zinnen uit zijn mond: willekeurige woorden in willekeurige volgorde. Bovendien waren het woorden waarvan niemand precies weet wat ze betekenen.

Transformationeel. Aporie. Transcendentaal.

Mensen die zeggen dat ze het wel weten, liegen.

Dit gaat te vaak mis. Bij kunstenaars die iets over hun eigen werk moeten zeggen, maar ook bij schrijvers van tentoonstellingsteksten. Dat zijn misschien wel de ergsten. Kunstenaars geven tenminste nog toe dat ze niet goed met woorden zijn, en dat ze daarom zoiets als verf of brons moeten gebruiken om zich uit te drukken. Nee, dan curatoren en tentoonstellingsmakers die met hun publieksteksten vooral bezig lijken met indruk te moeten maken op hun conculega’s, in plaats van het publiek een toegang te verlenen tot de getoonde kunst.

Elk stukje niet-essentiële informatie is een hinderlijk bijgeluid: ruis.

Bondigheid

Toen ik uiteindelijk wist te ontsnappen aan die jonge kunstenaar, kon ik eigenlijk alleen nog maar denken aan het tv-programma Omroep Maxim van Maxim Hartman en die lieve antiquair die daarin schitterde.

Omroep Maxim: Meneer Mandje

Dit is een heel mooi mandje, gemaakt door de firma Tichelaar, werd gebruikt op tafel, als versiering en fruitmandje.
- Veel te lang. Moet korter.
Mandje, van Tichelaar, gemaakt in Makkum.
- Nog korter.
Mandje van Tichelaar.
- Nee, nog korter. Kort.
Mand!

Of, voor de mensen die geen tv hebben, een citaat van de Franse filosoof Voltaire: ‘Het grote geheim van saaiheid is dat je alles zegt.’

De kunst is om niet alles tegelijkertijd te willen vertellen. Schrijven is immers schrappen. Minder is meer. Iets wat iedereen weet, maar begrijpelijk genoeg toch heel lastig is, zeker als je tot over je oren in de materie zit. Dan heb je al het gevoel dat je enorm veel niet verteld. Maar elk stukje niet-essentiële informatie is een hinderlijk bijgeluid: ruis.

Te veel informatie zorgt ervoor dat alle informatie minder goed aankomt, om nog maar te zwijgen van de mensen die bij een muur vol woorden eigenlijk gelijk afhaken (ik ben zeker schuldig). Bovendien is het voor de lezer moeilijk in te schatten welke informatie belangrijker is dan andere. Te veel tekst werkt averechts. Laat daarom alleen staan wat puur noodzakelijk is voor het kunstwerk of de tentoonstelling.

Een kortere tekst is vaak meer werk dan een langere.

Dat schrappen heeft een ander voordeel. Het voorkomt namelijk dat je het kunstwerk dicht plamuurt, dat je de lezer geen ruimte meer geeft om zelf op zoek te gaan naar wat hij of zij interessant vindt aan een kunstwerk. De zaaltekst heeft niet de taak om het raadsel van het kunstwerk op te lossen, maar, zoals de Duitse filosoof Theodor Adorno zei, het te laten zien als raadsel. Het moet verduidelijken, maar tegelijkertijd het mystieke van het kunstwerk laten bestaan.

In die zin verschilt schrijven over kunst niet zo gek veel van kunst maken. In beide gevallen loont het om bewust te kiezen wat je wel laat zien, maar vooral ook wat je niet laat zien. Het gaat om weglaten. Zoals wiskundigen en computerprogrammeurs ook altijd de meest elegante formule of code de voorkeur geven.

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Elegantie vergt namelijk tijd en aandacht. Omdat het betekent dat je moet nadenken over wat je achterwege laat. Een kortere tekst is vaak meer werk dan een langere. Niet voor niets begon de Franse wiskundige-filosoof Blaise Pascal ooit een brief zo: Dit is langer dan normaal, omdat ik geen tijd had het in te korten.

Publieksteksten over kunst zijn er namelijk, en het woord zegt het al een beetje, voor het publiek.

‘Gewone taal’

Tot zover de lengte, dan nu de willekeurige woorden in willekeurige volgorde.

‘Gewichtige prietpraat, opgeblazen onverstand, koldermystiek en mooizeggerij in de categorie Windeieren & Luchtkastelen.’ Dit zijn de woorden van Gerrit Komrij als hij het heeft over onbegrijpelijke kunsttaal. Ruis.

Best wel saai cliché om hier in 2019 nog steeds te benoemen, maar blijkbaar is het, hoewel het steeds beter gaat, nog steeds nodig.

Gelukkig is er is een tamelijk eenvoudige, voor de hand liggende oplossing voor dit probleem van onbegrijpelijke taal: ’gewone taal’. Taal die de meeste mensen begrijpen. Omdat mensen afhaken bij moeilijke taal, omdat niemand het leuk vindt om zich dom te voelen.

Mensen zijn slimmer dan je denkt. Ze haken alleen af bij taal die ze niet begrijpen.

Het is een misvatting dat je dan in moet boeten aan diepte. Ook in die ‘gewone taal’ is het mogelijk om ingewikkelde ideeën uit te drukken. En eerlijk gezegd, meneer of mevrouw de kunstschrijver: je zal wel moeten. Publieksteksten over kunst zijn er namelijk, en het woord zegt het al een beetje, voor het publiek. Om het een toegang tot het werk of de tentoonstelling te verschaffen. Spreek daarom hun taal.

Indruk maken doe je maar op een andere manier.

Bovendien: goede ideeën zijn ook met gewone woorden uit te leggen, anders zijn ze toch niet zo goed. Als dat lukt, is dat veel indrukwekkender — als je toch indruk wil maken — dan in artspeak laten zien hoeveel je wel niet van iets weet. Dat pompeuze verplassen is voor niemand interessant. Het is pas echt knap als je iets complex kunt vatten in ‘gewone taal’.

Ook dit is makkelijker gezegd dan gedaan. Het is namelijk een dunne lijn. Niemand wil zich dom voelen, maar tegelijkertijd willen mensen ook dat je ze serieus neemt. Ga dus niet door de knieën, maak er geen Jip en Janneke van. Je moet je publiek niet overschatten, maar ook zeker niet onderschatten. Mensen zijn slimmer dan je denkt. Ze haken alleen af bij taal die ze niet begrijpen.

Misschien is trouwens helemaal niet zo lastig: denk gewoon aan wat je wel en niet zou zeggen op een eerste date.

Denk aan de lezer

Het hele idee van taal is communicatie. Het overdragen van ideeën. Door het gebruik van moeilijke taal en door meer te vertellen dan het puur essentiële, wordt de communicatie verslechterd. Dat noem ik ruis: dat wat wel gezegd wordt, maar wat de dingen onduidelijker maakt in plaats van duidelijker.

Of, om het helemaal zonder ruis te zeggen, schrijf: bondig en in ‘gewone taal’.


Ko van ’t Hek schrijft op freelancebasis teksten voor onder andere het Stedelijk Museum, Museum Voorlinden en Kunsthal Rotterdam. Hij schrijft en praat over kunst voor onder andere Vrij Nederland, De Wereld Draait Door en Koffietijd.

Daarnaast hij is de helft van Kunst Kijken met Ko & Kho, een maandelijkse nieuwsbrief waarin hij samen met Yuki Kho nadrukkelijk toegankelijk over kunst schrijft. Bovenstaande ideeën hebben mede door hun samenwerking vorm gekregen.


Deze column is uitgesproken op 2 juni 2019, tijdens de uitreiking van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs in het Stedelijk Museum Schiedam.