"Niet overtuigen, maar raken". Pleidooi voor een eigentijdse aanpak van LHBT-voorlichting op middelbare scholen

Een schoolplein in Hoorn op Paarse Vrijdag (bron: NH Nieuws)

Riek Stienstra (Schorer) Lezing 2017
Tekst uitgesproken door Laurens Buijs 
10 januari 2017, Hogeschool Leiden
Het tweede deel van de lezing werd uitgesproken door
Hanneke Felten

Welkom
Goedemiddag allemaal. Ik vind het eervol om hier te zijn en zo ook een beetje in de voetsporen te staan van een van de voorvechters van de homo-emancipatie in Nederland, Jacob Schorer.

En ook in de voetsporen van Riek Stienstra, die tussen 1974 en 2002 directeur was van de Schorerstichting en die onder andere het buddy-systeem voor mensen met hiv naar Nederland bracht.

Ik vind het eveneens een groot genoegen deze lezing samen met Hanneke Felten te geven, werkzaam bij Movisie, een belangrijke partner van universiteiten in het produceren van kennis over onder andere LHBT-acceptatie. Hanneke doet al jarenlang belangrijk werk naar onder andere de effectiviteit van interventiemiddelen op het gebied van diversiteit.

En wat het voor mij extra speciaal maakt is deze locatie; de Hogeschool Leiden, waar ik tot de afgelopen zomer twee jaar met heel veel plezier heb gewerkt, en waar ik ervaringen heb opgedaan als docent die mij op een zeer positieve manier hebben gevormd.

Introductie
De titel van mijn lezing vandaag is: “Niet overtuigen, maar raken”. Deze slogan dekt de filosofie die ik de afgelopen jaren heb ontwikkeld wat betreft alles wat met het bevorderen van LHBT-acceptatie te maken heeft. Daarmee bedoel ik: mensen die moeite hebben met homoseksualiteit (of andere uitingen van de enorme diversiteit op het gebied van gender en seksualiteit) niet proberen te overtuigen waarom het “goed” is om LHBT’s te accepteren, maar ze raken met levensechte ervaringen van LHBT’s zelf die luid en duidelijk overbrengen hoe zij met hun anders-zijn hebben geworsteld. Het doel van deze lezing is om dit nader uit te leggen en zo u ook van deze filosofie te overtuigen.

Deze filosofie (niet overtuigen, maar raken) is ten eerste ontwikkeld tijdens mijn werk als activist. Als voorzitter van UvA Pride, het LHBT-netwerk van de UvA, heb ik bijvoorbeeld heel goed de beperkingen van logisch redeneren ondervonden. Op de UvA weten medewerkers en studenten over het algemeen heel goed te beredeneren waarom LHBT’s geaccepteerd moeten worden als volwaardige mensen, maar ervaren zij daar in de praktijk toch vaak nog allerlei ongemak mee, zoals bijvoorbeeld blijkt uit subtiele grapjes en opmerkingen.

Maar ten tweede is deze filosofie ook ontwikkeld tijdens mijn werk als wetenschapper. Ik doe nu vanaf 2007 onderzoek naar diversiteit, stigma en en in- en uitsluitingsprocessen, in het bijzonder met Nederland en Amsterdam als casus. Uit onderzoek blijkt dat Nederlanders over het algemeen heel snel geneigd te zeggen dat ze LHBT’s accepteren (sneller ook dan mensen uit landen om ons heen), maar uit onderzoek blijkt dat Nederlanders daar in de praktijk vaak ook nog moeite mee hebben.

Ten derde is deze filosofie ontwikkeld door mijn eigen ervaringen als homo. Jarenlang moffelde ik mijn seksuele voorkeur en de worstelingen die ik daarmee had het liefste weg, ook nadat ik uit de kast was gekomen. Toen ik eenmaal het zelfvertrouwen en de moed had opgebracht om mijn kwetsbaarheid hierin te delen met anderen, merkte ik dat het wederzijdse begrip tussen mij en mijn sociale omgeving met sprongen vooruitging.

Al deze ervaringen bij elkaar hebben mij ook doen motiveren om vorig jaar mijn eigen bedrijf te starten, IncInc. We helpen organisaties met het creëren van een inclusief werkklimaat, en alles wat we doen vertrekt vanuit de filosofie niet overtuigen, maar raken.

De Nederlandse paradox
Goed, genoeg over mij, over naar het hier en nu. Nederland in 2017.

Ik heb er al iets over gezegd, maar een groot deel van mijn werk gaat eigenlijk over wat voor ’n raar land Nederland is geworden op het gebied van LHBT-acceptatie.

Ik ben deze Nederlandse eigenaardigheid op het spoor gekomen tijdens het doorspitten van allerlei rapporten en onderzoeken over de positie van LHBT’s in Nederland. Ik kwam daarbij steeds vaker een ogenschijnlijke tegenstelling tegen in de resultaten, een paradox. De onderzoeken lieten resultaten zien die ik niet zo makkelijk met elkaar kon rijmen.

Aan de ene kant komt Nederland dus als superster uit de bus in allerlei internationaal vragenlijstonderzoek naar LHBT-acceptatie. Geen volk ter wereld geeft progressievere antwoorden op stellingen als ‘Homomannen en lesbische vrouwen moeten het leven kunnen leiden zoals ze dat zelf willen’, ‘Ik heb er geen problemen mee als de leider van mijn land homo of lesbisch is’, en ‘Het homohuwelijk zou toegestaan moeten worden in Europa’.

Aan de andere kant is Nederland allesbehalve probleemvrij als het aankomt op de sociale positie van LHBT’s.

We zien dat discriminatie geweld tegen homo’s, ook fysiek geweld, echt nog een structureel probleem is in Nederland én in Amsterdam, en dat er geen reden is te concluderen dat dat de afgelopen decennia significant is toe- of afgenomen.

We zien dat homo’s en lesbo’s nog altijd veel vaker dan hetero’s allerlei psychosociale problemen hebben; het SCP concludeerde in 2010 bijvoorbeeld nog dat homojongeren vijf keer vaker een poging tot zelfdoding doen dan hetero’s. Homo’s en lesbo’s blijven vaak ook na hun coming out nog jarenlang worstelen met gevoelens van schaamte en schuld.

Transgenders hebben het bij uitstek zwaar in Nederland. Uit recent SCP-onderzoek blijkt dat zij vaak met grote weerstand uit de sociale omgeving te maken hebben. Talrijke ervaringen met negatieve reacties leiden tot fundamentele onzekerheid en schaamte. Twee derde voelt zich eenzaam en maar liefst 21 procent deed een of meerdere keren een zelfmoordpoging.

Ook biseksuelen zijn een kwetsbare "minderheid binnen de minderheid". Net als transgenders vragen zij ruimte voor een ‘tussenidentiteit’ die nog vaak op scherts kan rekenen en onvoldoende serieus wordt genomen. En dat in een tijd waarin steeds meer erop wijst dat de hokjes homo/hetero voor velen te beperkt zijn.

We zien dat er nog altijd veel maatschappelijke druk op LHBT’s wordt gelegd om de diversiteit die zij ervaren op het gebied van seksualiteit en gender niet teveel uit te stralen. Zo weten we uit onderzoek dat homojongeren ook na hun coming-out nog allerlei krampachtige pogingen ondernemen om ‘typisch homogedrag’ te ontlopen en geregeld nadrukkelijk afstand nemen van ‘nichterig’ en ‘verwijfd’ gedrag.

Deze paradox, de schijnbare tegenstelling tussen aan de ene kant het idee van een tolerant volk op het gebied van seks en gender, en aan de andere kant de voortdurende aanwezigheid van allerlei negatieve ervaringen uit de minderheidsgroepen zelf, is wat ik de Nederlandse paradox ben gaan noemen.

Moderne homofobie
Ik zeg elke keer met nadruk schijnbare tegenstelling, want mijn stelling is dat deze twee gegevens prima met elkaar te rijmen zijn. We zien hier uiteindelijk niets anders dan het bekende onderscheid tussen woord en daad, theorie en praktijk, wensbeeld en realiteit.

Nederlanders willen heel graag LHBT’s accepteren; ze zijn dat zelfs steeds meer als een bewijs van hun moderniteit gaan zien. Het is een belangrijke waarde geworden voor hun gemeenschappelijke identiteit. “Ik accepteer LHBT’s, dus ik ben een moderne en vooruitstrevende burger.” We zijn het als sociaal wenselijk gaan zien om LHBT’s te accepteren.

Maar in de praktijk blijkt deze sociale wenselijkheid heel lastig vol te houden. We weten dat veel mensen, met name mannen, en daarbinnen met name jonge mannen, vaak toch nog allerlei conflicten in zichzelf ervaren als zij met homo’s in aanraking komen. Ze vinden het vies, eng, afkeurenswaardig, en/of een bedreiging voor hun mannelijkheid.

Dat is vaak niet eens per se kwade wil, waarmee ik bedoel dat het voortkomt uit een doorwrochte homofobe ideologie, maar meer iets waar veel mensen mee geconfronteerd worden op het moment dat ze ermee in aanraking komen.

Mijn stokpaardje is daarom: homofobie is niet verdwenen in Nederland, ondanks het feit dat er grote steun is voor het homohuwelijk, heel het land er schande van spreekt als er een homo in elkaar wordt geslagen, en de premier met allerlei andere hoogwaardigheidsbekleders met de regenboogvlag op een Gay Pride-boot staat te springen. Homofobie is niet verdwenen, maar van gedaante veranderd. Subtieler aanwezig, anders verpakt, beter verstopt dan 60 jaar geleden.

Deze nieuwe vorm van homofobie is wat ik moderne homofobie of moderne uitsluiting noem, een term die ik heb geleend van het SCP.

Consequenties voor voorlichting
Juist omdat vormen van moderne homofobie zo goed verstopt zijn en half onbewust plaatsvinden, zijn ze ook bij uitstek lastig aan te pakken. We moeten niet zomaar scholen binnenstormen en gaan roepen dat LHBT’s toch echt ook maar gewone mensen zijn en daarom geaccepteerd moeten worden, want die opvatting wordt in de samenleving en ook onder jongeren toch al breed gedragen. Het zijn niet morele opvattingen en logische argumenten die het verschil gaan maken in het Nederland van de 21ste eeuw.

Daarom raakte ik ook enigszins gefrustreerd tijdens de discussie over verplichte LHBT-voorlichting op Nederlandse middelbare scholen, die rond 2010 begon te spelen, en die uiteindelijk uitmondde in een wet in 2012. Het is fantastisch dat deze voorlichting nu wettelijk verplicht is, maar een grondige discussie over wat er dan precies voorgelicht moest worden, en hoe dat dan precies gebracht moest worden, ontbrak. Politici en publieke figuren vielen over elkaar heen om de wet te steunen, maar een doorwrochte visie op inhoud en methode was ver te zoeken.

Het gebrek aan discussie hierover zie ik als bewijs voor de blinde vlek die er in Nederland heerst op het gebied van LHBT-acceptatie. We baden ons allemaal graag in de morele gloed van de homo-emancipatieagenda, maar verblind door het idee dat we in een tolerant land wonen, zien we allerlei alledaagse vormen van moderne homofobie over het hoofd. Daarom ontwikkelen we dus ook maar geen totaalaanpak om deze vorm van uitsluiting met wortel en al aan te pakken.

Beginnen bij jongeren
En dat terwijl de middelbare school juist de uitgelezen plek is om dit probleem aan te pakken.

De middelbare school speelt natuurlijk een essentiële rol in de ontwikkeling van de seksuele en genderidentiteit van jongeren. Juist in de puberteit wordt de basis gelegd voor de onbewuste en diepgewortelde weerstand die met name veel mannen later in hun leven blijven ervaren als zij met homoseksualiteit en genderdiversiteit geconfronteerd worden.

De reden dat populariteit, status en “erbij willen horen” zo’n grote rol speelt in het leven van jongeren is omdat groepsprocessen van levensbelang zijn voor een identiteit in ontwikkeling. De middelbareschoolperiode is hierdoor al snel onveilig voor jongeren die als 'anders' worden gezien.

Tegelijkertijd biedt deze fase in de identiteitsontwikkeling van jongeren een unieke opening waar met voorlichting op in kan worden gesprongen. De middelbareschoolperiode is de periode waarin jongens ‘man’ en meisjes ‘vrouw’ leren zijn. Ik leg mijn eerstejaars studenten sociale wetenschappen altijd uit dat mannelijkheid en vrouwelijkheid niet alleen biologisch en hormonaal geladen zijn, maar ook cultureel.

Met andere woorden: jongeren op de middelbare school verkeren in een tussenfase tussen jongen en man, tussen meisje en vrouw, of iets daar tussenin. Hun zoektocht naar wat het voor hen dan betekent om man of vrouw te zijn is dus veel meer dan alleen een biologische. Mannelijkheid en vrouwelijkheid komen voor hen niet alleen uit de natuur vallen, maar zijn ook identiteiten die zij sociaal moeten verwerven en continu opnieuw moeten bevestigen, naar zichzelf en naar anderen.

De manier waarop we gierende hormonen en veranderende lichamen vertalen naar de sociale identiteiten ‘man en vrouw’ is daarmee een sociaal-cultureel proces, en we weten dat deze processen in elk geval voor een belangrijk deel beïnvloedbaar en stuurbaar zijn.

Om de vergelijking met het toneel te maken: de middelbare school is de plek waar jongeren repeteren of oefenen met hun mannelijke en vrouwelijke rol. Het examenjaar is een soort generale repetitie, waarna zij met de in de schooljaren gecreëerde rol als man of vrouw verder het leven in gaan. En juist tijdens het ‘oefenen’ in het zijn van een man of een vrouw zijn interventies het meest effectief.

We weten dat de homo er niet goed vanaf komt tijdens het ‘repeteren’ op veel middelbare scholen in Nederland. Voor veel jongeren is het moeilijke proces van het oefenen met hun toekomstige rol als man of vrouw stressvol en onvoorspelbaar. Voor hen is het tijdens dat spannende proces, ook in Nederland in 2017, nog altijd een verleidelijke uitweg om de LHBT weg te zetten als ‘raar’, zodat zij zelf wat meer ‘normaal’ worden.

Conclusie
Dit roept de vraag op: hoe kunnen we op middelbare scholen werken aan normen over mannelijkheid en vrouwelijkheid die zo inclusief mogelijk zijn voor minderheden op het gebied van seksualiteit en gender?

Mijn antwoord op deze vraag zou zijn: niet overtuigen, maar raken.

Laat jongeren in aanraking komen met ervaringsverhalen van minderheden op het gebied van gender en seksualiteit. Jongeren met wie zij zich kunnen identificeren en in wie zij zich herkennen. Want iedereen weet uiteindelijk wat het is om anders te zijn, ergens niet bij te horen, met een geheim rond te lopen, of jezelf niet te kunnen zijn.

Juist de herkenbaarheid biedt de opening om de ‘scripts’ en de ‘rollen’ waarmee mannelijkheid en vrouwelijkheid gespeeld worden om te buigen. De LHBT is dan niet alleen maar meer ‘anders’, maar ook ‘hetzelfde’.

Op die manier leren zij niet alleen dat LHBT’s maar gewoon mensen zijn, maar voelen ze het ook.

Bedankt voor uw aandacht.

Like what you read? Give Laurens Buijs a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.