Altijd bang maar niet weten waarvoor

Veel mensen die mij kennen weten wel dat er vaak ‘iets’ met mij was. Jongens met wie ik datete weten dat ik nooit bleef slapen, oude vriendinnen weten dat ik soms hysterisch was. Verdrietig en labiel. Dat ik dan weer een tijdje rustig aan wilde doen en dat zeker twee weken volhield, om daarna weer te dobberen in m’n eigen meertje van misère. Waarin ik bang was, maar niet precies wist waarvoor.

Ik weet nog dat ik in de zomer van 2015 door een rustig dorpje in Frankrijk liep en tegen m’n ex zei: ‘Ik wil niet terug naar Amsterdam. Daar moet ik weer van alles. Daar moet ik weer iemand zijn. Daar kan ik niet stilstaan, daar moet ik altijd door. Snap je?’ Hij snapte dat niet. Hij had dat niet. Hij vond het gezellig in Amsterdam. Het was toch ook gezellig? Er woonden veel vrienden en we konden alle kanten op.

Ik had het gevoel dat ik helemaal geen kant op kon. Dat als ik zou toegeven aan alle angst die ik voelde, de angst om niemand te zijn, om anders te zijn, om heel erg buiten de boot te vallen, dat het allemaal waarheid werd. Dus overschreeuwde ik mezelf en slingerde ik van hysterisch en donker naar euforisch en blij. En sliep ik bijna niet, piekerde me suf en beloofde ik iedereen wat rustiger aan te doen. Want ik wilde niet omvallen.

En omvallen deed ik ook niet. Er kwam geen klap. Er kwam geen instorting. Er kwam geen moment dat ik m’n bed niet meer uit kon komen en dagen achtereen sliep. Dat m’n enige activiteit een wandeling naar de supermarkt was. Maar m’n energie nam gestaag af, de overprikkeling juist toe, de angst werd een monster en ineens was daar een moment dat ik besefte: dit gaat zo niet. Hier moet ik iets aan doen.

Dat moment is anderhalf jaar geleden.

In die afgelopen anderhalf jaar heb ik nog vaak gedobberd op m’n meertje van misère, had ik soms veel zelfmedelijden, voelde ik me onbegrepen en alleen en bleef ik heel angstig. Ik heb mensen om me heen tot wanhoop gedreven, geërgerd en weggeduwd. En ik heb heel krampachtig gezocht naar een oplossing voor die angst. Uren heb ik nagedacht, verklaringen gezocht, labeltjes gevonden en momenten van grootste euforie gekend als ik iets vond als ‘burn-out’, ’hoogsensitief’ of ‘depressief’.

Maar van m’n therapeuten kreeg ik geen label. ‘Maar ik heb geen energie. En ik werk bijna niet,’ zei ik dan. ‘En ik ben zo bang. Ik ben de hele tijd bang dat het niet goedkomt. Dat ik me voor altijd zo blijf voelen.’ ‘Jij moet een veilige basis vinden in jezelf. Als je die hebt, dan komt de rest vanzelf,’ zeiden ze. En dat bleek waar.

De afgelopen anderhalf jaar heb ik gewerkt aan die veilige basis in mezelf. Waar geen angst is. Waar ik iemand ben, gewoon, omdat ik er ben. En dat is een hele hoop werk, een proces wat nog lang niet klaar is. Ik blijf nog steeds niet graag slapen bij mensen. Ben nog steeds vaak bang. Sta mezelf nog steeds soms te overschreeuwen op feestjes, met veel drank. Maar toch wordt die bodem wat steviger. En voel ik me steeds meer thuis en veilig. Bij mezelf en in Amsterdam.