Naar de garage in Ouagadougou

Ik rij in een monsterlijk grote auto. Met een monsterlijk grote bull bar voorop. Geitjes en herders springen snel in de bosjes als ik aan kom blaffen. Maar vorige week werd het beest getemd door de West-Afrikaanse brousse en de 300 snelheidsdrempels van Burkina Faso. Ik moest naar de garage om het wapperende chroom van de bull bar weer in het gareel te krijgen.

Mijn lokale collega Abdourahmane in Ouagadougou hielp me op weg. Met één telefoontje werd geregeld dat om half vijf een mecanicien genaamd Seydou zich bij mijn hotel zou melden. Als je geld aan iets wilt uitgeven in deze contreien hoef je niet zelf op zoek. Dan zoeken de mensen die je dat kunnen leveren jou wel op.

Ik haat te laat komen. Maar door allerlei misverstanden en tegenslag kwam ik toch pas om vijf uur bij mijn hotel aan en ik had geen nummer van Seydou. Desalniettemin werd ik enthousiast toegezwaaid vanaf het tankstation aan de overkant van de weg. Het hotel had hem na een kwartiertje weg gestuurd, dus was hij daar maar gaan wachten. Ik kwam in pak direct vanuit een ge’airco’de conferentie, hij was in werkkleding en droeg de lijflucht die hoort bij een dag lang sleutelen bij 40 graden. Maar ik gaf het stuur graag uit handen aan mijn reddende engel.

Via een paar hobbelige zijstraatjes reed hij naar de garage waar hij werkte. Ondertussen luisterend naar het vreemde geluid dat bij elke hobbel klonk. Alsof twee metalen voorwerpen onder water op elkaar botsten. Terwijl Seydou onder de auto verdween, nam ik de omgeving in mij op. Behalve mijn beige linnen broek en witte overhemd, was al het andere roestbruin tot inktzwart. Op de grond wisselden plassen motorolie en een soort kleverige modder elkaar af. Naast me lag een grote berg motorblokken. En iets daaromheen autowrakken in alle soorten en maten.

Al snel bevestigde Seydou mijn vermoeden dat de bull bar de boosdoener was. Maar geen nood, van de buurt met alle garages van Ouagadougou, naar de buurt met alle lassers van Ouagadougou was het maar vijf minuten rijden. Hoewel de avond al begon te vallen, werd er daar nog hard gewerkt. Pezige jongens met enkel zonnebrillen als bescherming lastten allerlei ijzeren meubels in elkaar. Na een korte onderhandeling met de baas, schoof voor € 4,- een teampje onder de wagen. Met een kwartier zat alles weer vast. Vanaf nu waarschijnlijk nooit meer los te krijgen met een schroevendraaier, maar alleen nog met een slijptol.

Toen ik Seydou weer afzette bij zijn garage stelde ik voor hem ook het equivalent van € 4,- te geven. Hij was per slot van rekening twee uur met me in de weer geweest. Maar hij liep meteen drie meter bij me vandaan om te verhinderen dat ik kon betalen. Vanaf die veilige afstand bezwoer hij me dat hij geen geld kon aannemen van vrienden van Abdourahmane. Een stuk of dertig collega’s en omstanders knikten goedkeurend toe.

Alsnog geld aannemen zou gezichtsverlies zijn, dus verder aandringen had geen zin. Ik vroeg Seydou of hij kinderen had. Die kans ligt hier bij een volwassen man dicht bij de 100%. Toen hij bevestigend antwoordde, groef ik uit mijn autopech-in-de-woestijn-noodrantsoen een pak koekjes op. In de sluiting schoof ik 3000 CFA. In de achteruitkijkspiegel van mijn herboren monster kon ik nog net zijn brede grijns zien.

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Maarten van Heems’s story.