Diner met een Amsterdamse junk

Kerst vieren in Eindhoven.

De A10. De ring, in de volksmond. Voor alle import-Amsterdammers dé scheidslijn tussen kaf en koren. Woon je erbinnen, heb je het goed gedaan. Woon je erbuiten, komen ze niet bij je op bezoek. Een stereotype beeld dat elke Amsterdammer naar z’n hoofd krijgt: Alles buiten de randstad noem je provincie. Ik geef toe, ook ik heb de Achterhoek “Waar ze met die zachte g praten’ genoemd. Tot grote verontwaardiging van mijn Twentse teamgenootjes, want zachte g’s zijn toch echt iets uit Limburg. (Dat hun g’s in vergelijking met mijn gekrakeel nog steeds als zijde klinken, laten we even buiten beschouwing.)

Naïef blij, als ik van boven de rivieren passeerde.

Ik stel me zo open mogelijk op, maar ontkom inderdaad niet aan grootstedelijke verwennerij. Ik ga met het OV wanneer ík weg moet, niet omdat de trein eraan komt. Als ik dan tien minuten moet wachten, vind ik dat lang. Het duurde tot na mijn rijbewijs voor ik wist dat Apeldoorn en Amersfoort niet aan elkaar lagen. Zeeland is onontgonnen gebied, net als grote delen van Drenthe en Flevoland. Mijn toenmalige vriendje woonde in Eindhoven. Ook hij heeft meermalen gelachen om mijn naïeve blijheid als ik ‘van boven’ de rivieren passeerde, naar onder.

Het was december, kerstdinertijd. Ik was op bezoek in Eindhoven, bij zijn vrienden van ‘onder de rivieren’. Ik was nieuw, maar dat bleek minder interessant. Ik kwam uit Amsterdam. Een van zijn vrienden staarde me de ganse avond aan. Na het hoofdgerecht zei ze: „Ik ga het toch vragen.” Haar vriend keek verschrikt. Ik, die door haar gestaar dacht dat er iets tussen mijn tanden zat, zei: “Natuurlijk! Wat is er?” Ze haalde diep adem. „Gebruik je ook zomaar doordeweeks drugs of bewaren jullie dat echt voor het weekend?’

Amsterdammers hebben toch zo’n grote mond?

Heel even stond ik met mijn bek vol tanden. Tijd om me af te vragen of ik er zo slecht uitzag, had ik niet. Ze was warmgedraaid: „En ga je nog wel eens uit, zonder iets te gebruiken? Wat heeft de minste bijwerkingen?” Stamelend meldde ik haar dat ik niet gebruik. Nooit gedaan ook. Ze moest lachen „Ik snap het wel, je kent ons pas net. Maar ik zal ‘t niet aan je vriend vertellen.” Die kwam toevallig net aanlopen. „Hoe zeg ik op z’n Eindhovens dat ik nooit drugs heb gebruikt?” zei ik, enigszins mijn lef hervonden. Vriendje keek vragend naar zijn vriend. Die haalde zijn schouders op: „Het is een terechte vraag. Amsterdammers hebben toch zo’n grote mond? Dan kan ze best zeggen wat ze gebruikt.”

En daar zat ik. Met een voorbereid en eigenwijs antwoord op ‘Hoe is het buiten de Ring’ of ‘Heb je al heimwee?’ Maar deze had ik niet verwacht. Hoe de avond afliep? Zij, die al gekookt had, stond af te wassen terwijl hij een pilsje -we zijn in Eindhoven- dronk met zijn mannelijke vrienden. Ik zat aan de lege tafel en keek vragend. Nee, als Amsterdamse junk hoefde ik niet mee af te wassen. Straks was ik nog besmettelijk.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.