Relativeren

Het was zeven uur ‘s morgens en ik stond voor mijn deur in Amsterdam West, met werktas, telefoon en portemonnee. Het regende. Gisteravond laat werd de deur voor mij opengedaan, waarna ik dankbaar en verkleumd mijn spullen neersmeet en al snel ging slapen. Deze ochtend was ik een aantekening vergeten en wilde terug naar binnen. Maar ik kon mijn sleutel niet vinden in de immense werktas. Ik wilde zonder aantekening vertrekken maar besefte dat ik mijn telefoonoplader nodig had, omdat ik mijn klanten anders niet kon bellen.

Even was er totale paniek. Tot ik bedacht dat mijn sleutels niet binnen konden liggen, omdat ik ze nooit uit mijn tas had gehaald om de deur open te doen. Ik heb een bankje in mijn voortuin staan, waarboven ik de hele tas binnenstebuiten kieper. Het heeft van dat vlechtwerk, met kieren en gaten. Alle overbodige meuk lag dus naast en achter het bankje, tot hilariteit van de buurvrouw. ‚Je ken het ook gewoon in de prullenbak doen, hoor!’ Ik forceerde een lach. Besefte dat regen geen goed doet aan de inhoud van mijn tas en graaide tussen de spullen.

Nergens een sleutel. Wel verloren elastiekjes, een verdwaalde tampon, drie pennen en een oorbel. En de vergeten aantekening die dus blijkbaar helemaal niet vergeten was. Met een zucht ging ik op het bankje zitten. Terwijl ik me voornam voortaan minder troep in mijn tas te bewaren, flitste het beeld door mijn hoofd: gistermiddag, in Ouderkerk. Ik was net binnen, zette mijn tas in het juffenhok en werd aangesproken door een collega. Nonchalant gooide ik mijn sleutelbos op mijn tas. Op, niet in. Shit.

Ik propte alles weer in de tas en fietste naar Ouderkerk. De sleutels lagen op de grond, half onder de vriezer. Dik anderhalf uur later kon ik thuis bij de oplader van mijn telefoon en richting mijn andere werk. De collega die mijn vroege klant had overgenomen, wilde ik bedanken. Ik had een stukje taart voor haar gehaald bij de luxe bakker op de hoek. Terwijl ze me lachend aankeek, sloeg ik mijn hand voor mijn mond. We hebben vorige week besproken hoe ze flink wat kilo’s eraf wil halen. Ik zette de taart in de koelkast en gaf haar maar gewoon een knuffel. Ik mailde het verkeerde telefoonnummer aan een contactpersoon, was mijn oplader van mijn laptop vergeten en wilde een kop koffie zetten met de meegenomen koffiepads terwijl er slechts een cupjesmachine in de keuken staat. Met fronsrimpel en vieze thee probeerde ik een artikel af te maken wat de volgende ochtend af moest zijn.

Eenmaal thuis, binnen, warm, mét alle spullen die bij mij horen, zette ik de televisie aan. Joost Zwagerman is overleden, hij had last van depressies. Ik ben er stil van, al weet ik niet waarom. Ja, Zwagerman was een door mij bewonderd schrijver, maar ik kende de man niet. Maar de relativering van mijn eigen sores is gestart. Het leven is te kostbaar om je druk te maken om vergeten sleutels, mislukte koffie en een verkeerde mail. Even verzink ik in gedachten. Mijn telefoon gaat, de geïnterviewde wil graag nog iets aanpassen voor dat artikel van morgenochtend. Ik pak mijn laptop en ga aan het werk. Weg overpeinzing. Weg relativering. Hoi deadline. Ergens jeukt een beetje schuldgevoel, maar ik begrijp niet waarom.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.