Botsende wensen.
De mier en de vlinder lagen in het gras. Het was warm maar niet té. Een plezierig briesje deed de sprieten langzaam golven.
“Als je iets héél graag wil” zei de mier, “krijg je het dan altijd?”
De vlinder keek naar de lucht. Hij sloot zijn ogen, draaide z’n hoofd richting mier, wachtte even en opende zijn ogen weer. Hij keek z’n vriend aan.
“Nee”, zei hij plechtig. Hij ging zitten. “Nee, zo werkt het niet.”
Hij rekte zich uit, elegant en intens. Het was een prachtig gezicht.
“Al dat gedoe met dat willen” zei de vlinder “is een van de grootste, treurigste en pijnlijkste misverstanden onder levende wezens met denkvermogen.” Hij rekte nog heel even door, wat laatste rekjes.
“Het veronderstelt een enorme macht om het leven te kunnen buigen, een magische controle over de wereld die we altijd zouden kunnen aanspreken onder de juiste omstandigheden, of een formule die in het voordeel werkt van iedereen die maar hard genoeg zijn best doet. Maar dat is onmogelijk, oneerlijk, en onwenselijk. De wereld zou simpelweg uit elkaar knallen van botsende wensen!”
Hij stond op en stak zijn armen in de lucht.
“Enig idee hoeveel tegenstrijdige wensen er elke seconde overal op de wereld worden gedacht of uitgesproken? Enig idee hoe er vrijwel continu hard en intens honderdduizenden dingen worden gewild die gewoon niet passen omdat ze elkaar in de weg lopen? En wie zou dan voorrang moeten krijgen? Is jouw wens meer waard dan die van mij? En wie bepaalt dat en op basis waarvan? Bovendien: wat als je nou van huis uit niet zo goed bent in dingen willen, zou dat niet heel erg oneerlijk zijn?”
De mier kwam overeind. Hij begreep zo’n beetje wat de vlinder zei. Soms vergat hij wel eens dat hij niet de enige was die iets graag wilde, dat hij onderdeel was van een onrustige wereld met heel veel vurige wensen.
“Ik zal je een voorbeeld geven” zei de vlinder. “Hoeveel mieren kunnen er denk je tegelijkertijd de Beste Stapelbeddenspringer Ter Wereld zijn?”
De mier zei niks.
“Of, stel nou dat jij en ik allebei iets écht heel graag willen, tegelijkertijd, maar het past gewoon niet samen. Jij wil bijvoorbeeld het allerliefst dat ik je stevig zwijgend vasthoud, en ik wil juist niets liever dan gek springen en zingen. Hóe dan!”
De vlinder ging weer zitten. Hij keek de mier aan.
“Daarom” zei hij, “wordt het allemaal zo’n beetje verdeeld. Al die wensen. Dat doet het leven. Zonder speciale voorkeur voor iemand, maar gewoon zoals het uitkomt. Niet per se heel eerlijk, want soms krijgt iemand heel veel vaker wat-ie wil dan iemand anders. Maar daar doe je niks aan. Ook niet als je heel graag wil.”
Ze zaten een tijdje naast elkaar in het gras. De zon zakte een stukje maar dat zag je niet. De mier zuchtte.
“Ik wou dat jij mij nu vast wilde houden” zei hij zacht.
En dat was precíes wat de vlinder wilde.