De wereld

staat in brand

en ik voel niks


Het is verplicht je overal over op te winden en woedend te worden op de hele wereld, om overal schande van te spreken en de hele dag met virtuele hooivorken en fakkels rond te lopen. Maar ik doe er niet meer aan mee. Waarom ga ik eigenlijk niet meer gebukt onder al die familiedrama’s, humanitaire rampen, oorlogen en andere vreselijkheden die overal ter wereld woeden? Ben ik echt zo gevoelloos?

Iedereen schreeuwt door elkaar heen in paniek en uit pure angst. Iedereen heeft continu zijn oordeel klaar. Het is allemaal even gruwelijk en vreselijk en onvoorstelbaar en onmenselijk en ongepast.

En het doet me niks.

Compassie is vooral een idee. Een concept. En het is zó vanzelfsprekend dat we erin geloven, dat iedereen die het zogenaamd níet heeft en er niet mee koketteert, met ongeloof wordt bekeken. Je móet namelijk iets voelen voor het leed in de wereld, je móet medelijden hebben, empathie, en schaamte voor de daden van andere mensen. Je móet boos worden vanwege de onredelijkheid van het leven met al zijn natuurrampen en dictators en terreurgroeperingen en andere enge figuren. Je móet je jankend van onbegrip omver laten kegelen door hoe slecht alles verdeeld is, en hoe bepaalde plekken op de wereld keer op keer de grootste klappen krijgen.

Maar ik voel het niet.

Was het maar anders. Kon ik maar verontwaardigd zijn over alles wat we de hele dag over de wereld lezen, net als iedereen. Kon ik al die stille tochten en rouw-ava’s maar serieus nemen, en meegaan in het collectieve verdriet, de verontwaardiging over alles, de Nationale Dagen van Bezinning. Kon ik maar net als de meeste mensen lijden voor de minder gefortuneerden, de slachtoffers, de pechvogels. En was ik maar steeds gekwetst.

Maar het lukt me gewoon niet meer.

Kansloos klagen.

Ooit was ik net als iedereen begaan met mensen die ik niet kende, landen waar ik nooit van mijn leven zal komen, en situaties die in elk opzicht totaal buiten mijn scope lagen. Onder het mom van inlevingsvermogen en sociale betrokkenheid wist ik (zogenaamd) precies hoe erg andere mensen het hadden, en hoe schandalig ze behandeld werden door het leven. Maar dat is voorbij. Ik geloof er niet meer in, niet eens vanuit een intellectueel te verantwoorden idee, maar gewoon, rechtstreeks vanuit mijn gevoel.

Het wat mij betreft totaal aanmatigende en kansloze idee dat ik met zes opgewonden tweets een Afrikaans regime omver kan werpen, is voorbij.

Ooit voelde ik mee en geloof mij: dat was echt veel makkelijker. Het maakte de verbolgen gesprekken bij de koffiemachine veel eenvoudiger. Ik vond precies wat iedereen vond en leefde met de onuitgesproken aanname dat ergens schande van spreken hetzelfde is als er iets aan veranderen.

No more.

Ik was ook al geen ramptoerist, en roddelen heb ik nooit interessant gevonden. Het idee dat ik het maar heel vaak over de ellende van anderen moet hebben om die van mij te kunnen relativeren, vind ik ronduit belachelijk en vooral totaal niet nodig.

“Erg hè!”
“Ja, vre-se-lijk!”

Meedoen is de norm. Als je jezelf heel duidelijk uitspreekt tegen leed in de wereld, zal niemand je motieven ooit in twijfel trekken. Sterker nog: het is de standaard in werelddelen waar mensen überhaupt de tijd hebben om na te denken over anderen, in plaats van te moeten vechten voor een beetje water of kommetje rijst, of voor je leven.

Iedereen denkt altijd maar precies te weten wat anderen denken, en bovendien zou ellende er volgens de Westerse kijk op levenszaken niet moeten zijn. Maar dan heb ik nieuws voor je: ellende ís er. Dood en verderf en mishandeling en ziekte en honger zijn net zo goed onderdeel van de wereld als bloemetjes, zon, taart, kusjes en Boer Zoekt Vrouw.

Parttime wereldverbeteraars.

Ik denk dat veel mensen die zo enorm begaan zijn met de wereld dat vooral parttime doen. Ik denk dat veel van de personen die ‘schande!’ schreeuwen uitgaan van het idee dat het leven perfect zou moeten zijn volgens hun maatstaven, en dat het niet klopt dat dat niet zo is. Ik denk dat de enorme empathie(?) met alles en iedereen een vorm van aflaat is, een manier om de schaamte over je eigen onvermogen te maskeren en je goed te voelen over je plaats in de wereld.

En het lekkere is: niemand zal je er ooit op aanspreken.

Vanachter onze schermpjes en toetsenborden zijn we allemaal Moeder Teresa die met veel uitroeptekens en twibbons de wereld zogenaamd mooier posten. Ik betwijfel serieus of het werkt (en ja, dat is een mofo eufemisme).

“Ja maar Marnix, als iederéén zo zou denken gebeurde er nooit meer wat!”

Klopt. Zeker weten. Absoluut. In theorie. Alleen is het leven één en al praktijk, en een wereld waarin helemaal niemand iets doet of onderneemt is natuurlijk geen serieuze optie. Iedereen zal altijd iets doen, dus de bewering dat mijn wat pragmatische kijk op universeel leed zou aanzetten tot volstrekte apathie, lijkt me nogal onzinnig.

“Als iedereen zo zou denken” is net zo’n sterk argument als “Stel dat we allemaal Frans Bauer waren”. En wat nog veel belangrijker is in dit kader: er zijn genoeg mensen die écht iets ondernemen en de daad bij het woord voegen, in tegenstelling tot de wagonladingen salonaltruïsten en bákken vol gelegenheidsactivisten die op de bank hangend iedereen schuimbekkend komen vertellen hoe het eigenlijk zou moeten. De Social Media ridders.

Het idee dat onze discussies over problemen in verre landen over het algemeen ook echt iets veránderen aan die situatie is aandoenlijk en aantrekkelijk maar vooral belachelijk naïef. Het universum reageert nu eenmaal niet op boze of teleurgestelde mensen en hun vlammende tweets, ook niet als ze petities ondertekenen of samen heel stil gaan marcheren. Maar ja, we hebben het nodig. Voor ons zelfbeeld, als lijm binnen bepaalde groepen, en, ook dat, om onszelf in slaap te sussen.

We willen de indruk koesteren en het gevoel hebben dat we iets voor anderen betekenen, ook al komen we over het algemeen niet verder dan een paar laffe RT’s of een solidair fotootje op de plek waar we normaal ons yolo-hoofd hebben staan. En dat we graag iets willen betekenen voor een ander is een volstrekt plausibele gedachte, maar ook nogal aandoenlijk als de bijbehorende actie uit niet meer bestaat dan een opgewonden rant van een paar zinnen.

Het is een doekje voor het bloeden, een mager shotje goedertierenheid, verpakt als engagement waarmee je voor de dag kunt komen en je keurige plekje in de maatschappij hebt verdiend.

Veel geschreeuw, weinig nut.

We hebben de overtuiging dat onze verontwaardiging, die weerstand tegen alles wat we niet eerlijk of ideaal vinden, heel veel zoden aan de dijk zet. Alsof elke tweet of like het serieuze equivalent is van een doos medicijnen, waterpomp, of levensgevaarlijk bezoekje aan een vluchtelingenkamp in besneeuwde bergen.

Alsof de mooie woorden die we posten, de slimme, doordachte, politiek-correcte en emotioneel verantwoorde blogs die we schrijven, ook maar íets betekenen voor de wereldvrede.

Alsof we, kortom, vanuit onze luie stoelen als zelfverklaarde goden 2.0 de loop van de wereldgeschiedenis kunnen veranderen, simpelweg door het niet eens te zijn met de status quo, en daarover met elkaar te discussiëren.

Daarom heb ik ook best vaak moeite met twitter: veel mensen hebben werkelijk geen flauw idee hoe ongelooflijk dociel ze van de ene naar de andere verontwaardiging springen. Van het ene #Ongepast! snoepje van de dag naar het volgende. Hap, hap, HAP! We zijn verslaafd aan #ophef, en dat versluieren we sociaal-verantwoord met onze al dan niet oprechte betrokkenheid, als non-stop opgewonden standjes.

We hebben sensatie nodig, afgesneden hoofden, ontplofte katten, huilende mini-Pietjes bij optochten, zodat we er schande van kunnen spreken en haarfijn laten merken dat wij weten hoe de wereld écht zou moeten werken. Onze (vermeende) empathie met menselijk leed komt uit hetzelfde vaatje. Het is vooral heel erg fragmentarisch, zeer kansloos, en enorm onecht.

Contact. Met mensen.

Noem mij maar wereldvreemd en onbegaan met verre continenten, of bestempel mij als pessimistisch of zelfs negatief, maar ik heb het over een andere boeg gegooid.

Een concrete.

Ik praat met mensen over waar ze mee zitten, hun angsten, hun somberheid en twijfels. En ik luister. Ik deel wat ik heb meegemaakt en laat zo merken dat we allemaal gekke, stomme en gênante dingen doen en je je daar nooit voor hoeft te schamen. Ik mail met mensen die (serieus) in de put zitten. Ik geef me bloot en laat zo zien dat dat überhaupt mogelijk is, dat we niet steeds hoeven te doen alsóf, dat onze tandpastaglimlach ook gewoon wel eens een kansloos trillende, radeloze mond mag zijn. Ik post gedichtjes waar mensen vrolijk van worden, of waar ze een beetje hoop uit putten.

En dat is zo’n beetje mijn bijdrage.

Serieuze hulp.

Noem mij kortzichtig of wereldvreemd of egocentrisch of verzin er wat anders voor, maar voor mijn gevoel heb ik nog nooit zoveel voor anderen betekend sinds ik dichter bij huis ging kijken, en de illusie liet varen dat ik de levens van mensen die ik nooit zal spreken kan redden door er opgewonden over te doen via social media.

Mijn wereld bestaat op dit moment uit de mensen waarmee ik direct contact heb, en niet de miljoenen die ik nooit zal ontmoeten. Kunnen mij die vele ongelukkige mensen met chronische pech op onze aardbol dan niks schelen? Hm, niet echt relevant. Ik wens niemand waar dan ook ter wereld ellende toe, maar heb simpelweg het idee laten varen dat ik voor iedereen iets kan betekenen. En dat is enorm overzichtelijk en naar mijn overtuiging vooral reëel.

Dat ik heel veel tijd en energie steek in mensen die ik wérkelijk kan helpen, simpelweg omdat ik contact met ze heb en naar ze kan luisteren, is voor mij duizend keer relevanter dan de radeloze boosheid die ik ooit voelde voor álles wat zich in de wereld afspeelt, en waarmee ik nooit echt iets heb kunnen veranderen.

Nepsympathie en geveinsde betrokkenheid.

Ooit woonde ik een paar jaar in Amstelveen. Daar, bij winkelcentrum Groenhof, stonden senioren dag in dag uit (al dan niet over hun rollator gebogen) het leed van anderen te bespreken. ‘Die en die is dood’, ‘Wist je dat zus en zo kanker heeft, ja echt, been geamputeerd, erg hè!’.

Wat daar achter zit?

Terwijl we zogenaamd sympathie voor en betrokkenheid tonen bij het leed van anderen, gaat het stiekem alleen maar over onszelf. Als verkapte verzuchting dat het met ons nog best goed gaat eigenlijk. Of als regelrechte onderstreping van onze inner-Ghandi, ons weergaloze begrip voor het leed van anderen. Hoe dan ook: alles draait altijd om ons. En dat is niet erg en ook absoluut geen veroordeling want zo zijn we geprogrammeerd en daardoor overleven we ook.

Maar laten we onze betrokkenheid vooral niet mooier maken dan hij is.

Waarom is er voor ons gevoel zoveel ellende in de wereld? Niet omdat mensen steeds dingen doen die we niet willen (zoals we zelf meestal denken), maar omdat we ervan overtuigd zijn dat ze die dingen niet zouden móeten doen. Het gaat niet om de daden van anderen, maar om het feit dat die daden niet passen in het beeld van de wereld zoals wij dat graag zien. Onze kijk op de mensheid is extreem simplistisch en aandoenlijk naïef.

Bijvoorbeeld het idee dat ‘als iedereen maar op een bepaalde manier over een zekere misstand denkt, dat die misstand dan ook verdwijnt’. Dat klinkt ergens heel logisch, maar er is één nogal praktisch probleem: het gaat niet gebeuren. Er zijn geen dingen waar iedereen het over eens is, nul, en dus is het idee om te streven naar 100% consensus zonde van tijd en energie.

Moeten we dan maar stoppen met de wereld willen verbeteren? Nee hoor, natuurlijk niet. Dat zou ook niet eens kunnen. Die behoefte zal er namelijk áltijd zijn, want ook dat is weer een onderdeel van onze menselijke programmering.

Er zullen altijd stille tochten georganiseerd worden, en pietities, en vlammende debatten, en inzamelingen voor slachtoffers in verre landen. En dat heeft natuurlijk ook een functie, als gebeurtenis om samen te treuren of anderszins ons ongenoegen of ongeloof of, vooruit dan maar, onze betrokkenheid te delen.

Ik pleit alleen voor een wat realistischer insteek. Voor een haalbaarder concept, waarbij we eens wat meer om ons heen gaan kijken, naar situaties waar we invloed op kunnen uitoefenen. Praktischer, logischer. Directer. In je eigen omgeving.

Als je voor íemand empathie wil opbrengen en met íemand wil meeleven, dan weet ik nog wel een goeie.

Neem de buurman. Dan slaap je vast beter.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.