In de spiegel wachtte hij op het antwoord aan zichzelf.
Hij vroeg het nog een keer. Het klonk gek. Uit zijn eigen mond.
De mier keek heel serieus. Móest je eigenlijk wel iets willen?
Veel levende wezensachtigen hadden doelen. Dingen die ze wilden bereiken, dromen, plannetjes. Spullen die er móesten komen, waarvoor ze spaarden, en die ooit misschien onderdeel van hun leven zouden worden. En die dan alles natuurlijk éindelijk perfect maken.
Alles moest altijd ergens heen, dus in feite was het nooit genoeg.
De mier keek om zich heen. Het voelde alsof hij meer dan genoeg had.
De beste vriend van de wereld. Had-ie.
Een leuk huisje met fijne (lekkere) dingetjes. Had-ie ook.
Een bos dat hij kon delen met de zon en de onstuimige wolken en het meer en de andere dieren. Reken maar dat-ie dat had! Nou ja, deels, in elk geval. Maar dat was genoeg.
En, ja, soms had hij verdriet, en alleenzaamheid, en ook boos, en alhoewel het lang niet allemaal fijn voelde, hoorde het er wél bij.
Als hij eerlijk was, wilde de mier eigenlijk helemaal niks níet. Zelfs geen vervelende dingen.
Het was een vrijdagmiddag en ergens in het bos stopte het willen.
Email me when MarnixAmsterdam© publishes or recommends stories