Het fijne van regen.
Het regende. En flink ook. De grijze lucht liep leeg alsof het een wedstrijd was. Alles spetterde en druppelde en spatte onophoudelijk. Grote, dikke druppels waren overal.
De bomen hingen zwaar van nattigheid over modderige paden in het bos. De rivier gorgelde en schuimde en kon al dat extra water maar ternauwernood verwerken. Iedereen zat binnen bij de kachel, lekker warm iets regenachtigs te doen, behalve de mier. Want de mier hield nu eenmaal van regen.
Regen was maar water, vond de mier. Wel nat, natuurlijk, maar niks om voor weg te rennen. Juist iets om ín te rennen. En zo kon het gebeuren dat op deze ontzettend belachelijk uitzinnig overdreven regenachtige dag één iemand in het bos van plas naar plas rende, vrolijk stampend.
Eigenlijk hield de mier er gewoon in het algemeen van om van dingen te houden. Niet omdat-ie daar beter van werd of zo, maar omdat het bij ‘m paste. Soms wist de mier van gekkigheid niet meer wat-ie met al z’n liefde moest doen. En dan was rennen in de regen een goeie.
Hij sprong en draaide en buitelde door het bos, zijn gezicht richting de lucht waar de zon zich discreet had teruggetrokken. Hij rende en rolde en stampte het hele bos door. Er was meer nat dan mier.
Het werd een onvergetelijke middag.
Wat een heerlijk weer.