Het begon te schemeren, en de vlinder zat alleen bij het meer. Dat kon hij goed. En hij vond het prettig. Op zichzelf zijn stelde hem in staat de ruis in zijn hoofd te zien voor wat het was: herrie. Luid maar onbelangrijk gepruttel dat er evengoed in slaagde de levens van miljoenen levende wezens ingrijpend te beïnvloeden.
Hij had dat ook zo gevoeld, ooit. Wat was hij bang geweest!
Ruis was de belangrijkste en meest ontwrichtende begoocheling die er bestond. Ruis was waarvan we dachten dat wij het waren: de oordelen, de zelfkritiek, de spijt en alle schaamte. Niets dan een parade van loze opgezwollen woorden die we de macht gaven ons leven te sturen. Een gewetenloos gedachtencircus met alleen maar ontevreden acrobaten en gruwelijke clowns. En als je niet uitkeek, werd je meegesleurd door het kabaal, door de dikke, stroperige energie die tegelijkertijd doodeng en eindeloos fascinerend was.
De vlinder had geleerd zich terug te trekken van het gekakel in zijn kop. Alsof hij in zichzelf achterover leunde, zijn rug tegen de zetel van een eeuwenoude troon. Om van een afstandje te kijken naar wat vanzelf verdwijnen zou. Gedachten als dikke onweerswolken die zich hoe dan ook, altijd weer, gewonnen moesten geven aan de blauwe lucht. Druk, dreigend, zwaar. Maar tijdelijk. Vergankelijk.
De zon ging onder en een deken van lome, warme rust bedekte de wereld. Er was oranje en roze en blauw. Kikkers lieten zich horen. Verderop buitelde een vis uit het water.
Email me when MarnixAmsterdam© publishes or recommends stories