Vanzelf.

De mier en de vlinder zaten op de open plek in het bos.

Het regende bescheiden, nét genoeg om het nat en een klein beetje koud te hebben, en de lucht hield zich grijs.

‘Soms…’ zei de mier. En hij viel even stil.

(Het was nu geen soms, maar je kon het er dan wel gewoon over hebben.)

De vlinder luisterde aandachtig. De mier ging verder.

‘Soms denk ik lelijke en verdrietige en moeilijke dingen, dingen die me pijn doen of bang maken, en dan wil ik dat ze weggaan, dat ze me met rust laten, dat ze uit mijn kop verdwijnen. Dat is zó, zo, zo… lastig!’

Hij zuchtte en keek de vlinder aan.

‘Hoe doe je dat, hoe raak je die gedachten kwijt? HOE?!’

De vlinder zweeg een beetje, en nog een beetje, en vroeg toen:

‘En wat als je leuke dingen denkt? Wat gebeurt er dan?’

De mier ging rechtop zitten.

‘Eh, ja, soms heb ik hele leuke en fijne gedachten. Over zwemmen in het meer in de zomer en dansen op de heuvel en drie taartjes voor ontbijt en dat we samen een vrolijk lied bedenken voor de bomen in het bos, en dan wil ik die gedachten meenemen en erop kauwen en ze de héle dag bij me houden!’

Hij hijgde lichtjes, zijn ogen glommen enthousiast, en hij zat er fier en energiek bij. Toen liet hij zijn schouders weer zakken.

‘… maar ik raak ze altijd weer kwijt.’

Het miezerde door, maar nét iets minder.

‘Dus die verdwijnen?’ vroeg de vlinder. ‘Die gedachten?’

‘Ja’, zei de mier afwezig. ‘Die verdwijnen.’

‘En wat moet je daarvoor doen?’ vroeg de vlinder.

De mier keek om zich heen.

‘Ja, niks. Dat gebeurt gewoon.’

De vlinder rekte zich uit en glimlachte.

Hij liet wijsheid gebeuren.

En toen de mier opkeek wist hij het ook.

Verdwijnen gebeurt gewoon.

Vanzelf.


.