Veel te fijn.


Soms was de mier bang dat zijn denken te belangrijk werd. Bijvoorbeeld nu.

Want nu was het fijn, bij het meer, zorgeloos en warm, rustig en vol kleur, maar er was ook onrust. Het was heel, heel erg fijn, maar de mier kon er gewoon niet compleet van genieten. Zijn hoofd zat vol kleine maar harnekkige twijfelingen.

En het was zo zonde! Dat je mooie gevoel van fijn beïnvloed werd door een fladderende gedachte aan straks. Dat een situatie die in elk opzicht helemaal goed was, een lelijke deuk opliep door een stom, onhandig bedenksel. En toch kon hij er niks aan doen.

Ondanks alle fijn.

Want nu was fijn. Echt heel fijn. De hele wereld fijnde moeiteloos mee en alles was onvoorstelbaar strak op elkaar afgesteld.

Het meer op de wolken op de zon op de bomen op de mier op het hek op de velden en die weer op alle kleuren van het leven. Alles klopte zó goed, dat je eigenlijk niet meer kon zien waar wat begon en waar het eindigde. Als een puzzel die af is, en waarvan je de stukjes niet meer kunt onderscheiden.

De mier keek om zich heen. Er was alleen maar vredige, uitgestrekte, eindeloze ruimte. Misschien was dit wel gewoon fijn genoeg, dacht hij. Inclusief de twijfel.

En terwijl hij zijn ogen sloot en luisterde naar het aanspoelen van de golven van het meer, loste later helemaal op. Hij dacht even helemaal nergens meer aan.

Niks.

Man wat was dat fijn.

Email me when MarnixAmsterdam© publishes or recommends stories