Parelvisser (3/3)

Anton Koberger — “Eve”

Deel 3: Jas

Een voor een opende ik mijn ogen. Eerst mijn linkeroog. Dan mijn rechteroog. Langzaam. Behoedzaam. Eenzaam. Het trouwfeest ver achter me. Het winterseizoen dicteert de natuur. Bomen zonder blad. Bloemen zonder bloem. De zon zonder zonlicht. Verscholen achter een wolkendek, doet ze me twijfelen aan haar aanwezigheid. Ze schijnt nog steeds alleen iets minder fel en iets minder groen.

Groen, de kleur van balans, harmonie en groei. Maar ook de kleur van een nieuw begin, ontspanning en leven. Waar er groei is, is er leven. Dus hoopvol kijk ik uit het raam. Op zoek naar de zon. Op zoek naar mijn leven. Dromerig verlang ik naar de lente maar eerst moet ik de winter door.

Kleuren worden vaak gemengd. Hun betekenis niet zwart of wit. Beiden lopen in elkaar over. Ze komen in miljoenen nuances en duizenden variaties.

Een nieuw begin is wat ik nodig heb. Ik groei en leef en ik word oud. Ouder. Mijn huid spant rond mijn lichaam. Mijn jas wordt te klein en mijn opperhuid te krap. Geef me een scherpe steen en laat me schuren. Laat me even een slang zijn. Het hoeft niet lang te duren.

Stop, kijk en luister. Luisteren doe ik weinig. Kijken af en toe. Stoppen doe ik vaak om dan daadkrachtig weer vooruit te gaan. De kracht van drie. Drie dat net na twee komt. Two is a company, three is a crowd. Vraag dat maar aan Adam. Hij leefde gelukkig tot een slang Eva verleidde.

Ribben beschermen hart en longen. Het hart, het huis van onze ziel. De kern van wie we zijn en wat we zullen worden. De plaats waar het steeds thuiskomen is. Het hart verscholen tussen de longen. Longen die ons bloed voorzien van zuurstof zodat we leven en groeien. Longen die afvalstoffen uit ons lichaam verwijderen. Longen waarmee we ademen. Diep. Naar ons hart.

Laat het nu net uit Adams rib zijn waaruit God Eva maakte. Toeval? De vrouw als beschermer van groei en leven. De vrouw waar het steeds thuiskomen is.

Ze laat me toe te ademen. Diep. Naar haar en mijn hart. Ons hart. Zoeken doe ik haar niet. Dat eindigt steevast op een sisser. Ze komt vast wel op mijn pad. Ik ben niet gehaast en vertrouw mijn weg. Wie een parel wil vinden moet diep duiken. Vraag dat maar aan een parelvisser.

Mocht je me vergeten
wil ik dat
je één ding weet:
Als ik kijk naar de kristalmaan,
de rode tak van trage herfst
bij mijn raam,
als ik, bij het vuur gezeten,
de ongrijpbare as neem
of rimpelig lijf van brandhout,
weet je,
dat alles mij tot jou voert,
alsof alles wat bestaat,
geuren, licht, metalen,
scheepjes zijn die varen
naar jouw eilanden
die me verwachten.
Welnu dan,
als beetje bij beetje
jouw liefde voor mij minder wordt,
zal beetje bij beetje
mijn liefde voor jou minder worden.
Als je me plotseling vergeet,
zoek me niet,
want ik zal je reeds vergeten zijn.
Als je de wind van vlaggen
die door mijn leven waait
waanzinnig en lang vindt,
en je besluit
me aan de oever te laten
van het hart waarin ik wortel
bedenk
dat op die dag, op dat uur,
ik mijn armen op zal heffen,
dat mijn wortels naar buiten komen
om andere grond te zoeken.
Maar als je dag na dag,
uur na uur, voelt
- onverzoenlijk lief -
dat je voor mij bestemd bent,
als, dag na dag, een bloem
aan je lippen ontstijgt
om mij te zoeken,
ach dan, allerliefste,
komt dat vuur weer in mij op,
in mij blust niets
of wordt vergeten,
mijn liefde voedt zich
aan jouw liefde:
zolang je leeft
zal mijn liefde
in jouw armen zijn
zonder mijn armen
te verlaten.
— Pablo Neruda (Si Tu Me Olvidas)