Shakira, Shakira

Mijn familie bemoeit zich met mij. Dat komt deels doordat ik de jongste ben, deels doordat ik een nogal hulpeloze blik in mijn ogen heb, deels doordat iedereen in mijn familie enorm assertief is. Toen ik werd geboren was de rest van het gezin al oud genoeg om te weten wat goed voor me was. De bemoeizucht van de broer boven mij bereikte een piek in het begin van het jaar 2005. 
Ik zal hem zolang dit verhaal duurt Broer noemen. Broer woonde in die tijd in Barcelona, want dat deed je toen. Hij had een lening bij mijn ouders afgesloten en studeerde daar aan een niet per se gerenommeerde maar vooral prijzige business school. Broer leerde daar bankier te worden maar was verder een aardige jongen. 
Ik ging soms op bezoek en dan pakten we in sushi-restaurants de meest wanstaltige etenswaren van de band en schoven die naar de ander toe. 
 
In diezelfde tijd was ik voor een lethargische en armlastige Zuid-Spanjaard gevallen met wie ik iedere dag chatte op MSN. Laten we hem de Liefde noemen. De Liefde woonde in Sevilla, maar kwam weleens, als ik zijn ticket betaalde, naar Barcelona. Ik had geen geld in die tijd maar als je bijna geen geld hebt is het makkelijk het geld dat je hebt aan een ander te besteden.
Broer moest niets hebben van de Liefde. Ze hadden elkaar een keer ontmoet, toen de Liefde een pak wilde lenen van mijn Broer, maar dat pak was hem te groot, bleek later ook mijn Broer te groot. Na één avond in een klein Catalaans appartement was duidelijk dat het pak iedereen te groot was en dat Broer en de Liefde elkaar niet konden uitstaan. Achteraf denk ik dat mijn Broer vond ik dat ik gered moest worden, maar zelf geen zin meer had en aanvoelde dat de Liefde niet in staat zou zijn me te redden. 
 
Mijn Broer, assertief als hij was, wilde me behoeden voor de Liefde en probeerde me te koppelen aan een Catalaanse aristocraat. De Aristocraat bezat twee paarden die hij had vernoemd naar country-zangeressen en reed een BMZ Z4. 
Een BMW Z4 was voor mijn Broer het hoogst haalbare en zoals dat gaat met bemoeizuchtige mensen, was hij er vanuit gegaan dat een BMW Z4 ook voor mij, zijn kleine broertje, het hoogst haalbare was. Ik hield van de Liefde, maar liet me toch overhalen met de Aristocraat op date te gaan. Niet omdat mijn Broer met onweerlegbare argumenten kwam, maar omdat die dynamiek tussen hem en mij, de grote broer die het beter weet en de kleine broer die overal in meegaat, nou eenmaal een platgetreden weg was.

De Aristocraat parkeerde de BMW Z4 in de smalle straat waaraan mijn Broer woonde en wachtte in het ding tot ik beneden was. Het glanzende grijs van de auto resoneerde met de stoffige straattegels en afgebladderde winkelgevels. De Aristocraat had zwarte krullen en de haargrens van een goedkope clownspruik. Hij had een zachte stem, sprak iedere zin uit op een verontschuldigende toon, zwarte ogen die constant iets nattigs hadden zoals de ogen van een hond. We reden naar de kust terwijl hij over zijn paarden vertelde. 
Hij liet de BMW Z4 parkeren door iemand die daar zijn beroep van had gemaakt. Valet parking noemen ze dat in Amerika. Vroeger dacht ik dat het Valley parking was, dat ze bedoelde dat men auto’s parkeerden in de vallei. Ik had toen zelf geen auto en die heb ik nog steeds niet, maar ik had wel kunnen begrijpen dat niemand zijn auto vrijwillig door een vreemde met een pet op in een vallei zou laten storten. 
De jongeman met de pet die dat soort jongens ook in films dragen, groette ons, nam de sleutels aan van de Aristocraat en stapte in. Hij was knap, veel knapper dan de Aristocraat, veel knapper dan de meeste mensen. We stapten in een lift die het formaat had van een flinke woonkamer. De Aristocraat vertelde wie er zoal in dit hotel verbleven. Shakira, zei hij. Shakira slaapt hier altijd als ze in Barcelona is. 
‘Ken je haar?’ 
Ik kende haar, sterker nog: Shakira had me Spaans geleerd, maar toch noemde de Aristocraat een paar van haar hits op. Hij glunderde erbij alsof hij ze zelf had geschreven. Voor even was zijn verontschuldigende toon verdwenen. De lift kwam tot stilstand op de vijftiende verdieping en opende in een ruimte waar alles beige was. Het tapijt, de wandbekleding, de vazen en de bloemen die erin stonden, alles was beige, al was het net iets mooier dan beige. Ik denk dat de mensen die verantwoordelijk waren voor het interieur de kleur ‘champagne’ zouden noemen. En dat dronken we. De Aristocraat bestelde twee glazen zonder me te vragen wat ik wilde. Champagne was in zijn wereld een vanzelfsprekendheid, zoals oploskoffie dat in de mijne was. De Aristocraat zat op een lage, beige bank en ik op een stoel van transparant plexiglas. We waren zo ongeveer de enige twee gasten van de skybar. 
De leegte gaf het geheel een trieste aanblik, maakte alles dat de plek poogde te zijn duidelijk: een omgeving waar men zich rijk kan voelen, want rijk wil je weleens ergens anders zijn dan thuis. Dat wil je ook aan de rand van de stad, uitkijkend over de zee, een stad en een zee waar je eigenlijk niets mee te maken hebt, waar je je minstens vijftien verdiepingen boven moet verheffen wil het voelen als thuis.

De Aristocraat vertelde over Dolly Parton. Zijn merrie had in La Mancha een blessure opgelopen. Hij vroeg naar mijn vriend. Mijn vriend is moe, zei ik. Hij is altijd moe. Dat lijkt me onaantrekkelijk, zei de Aristocraat. Ik antwoordde niet, bedacht dat hij waarschijnlijk gelijk had, maar ik zag de Liefde voor me. Hoe hij dagenlang in zijn onderbroek op de bank zat, af en toe aan een droge worst knaagde en bijna onafgebroken sigaretten rookte en hoe dat beeld op de een of andere manier mijn thuis geworden was. Mijn zee, mijn stad. 
De Aristocraat vroeg me wat ik deed. Iets met taal toch, zei hij. Ik werk voor een tijdschrift dat niemand leest, zei ik. Mensen kijken liever naar plaatjes, zei hij. Zelfs naar die plaatjes kijkt niemand, zei ik. Wat zou je willen doen, vroeg hij. Wil je in Barcelona blijven? Tot mijn dood, zei ik. Je bent mooi, zei hij. Maar je vriend ziet het niet. Toen hij opstond en naar de bar liep keek ik op de drankkaart. Tweeëntwintig euro per glas.
 
 Een half uur later stonden we weer in de lift. De aristocraat vroeg me of ik nog iets wilde drinken. Toen ik nee zei probeerde hij me te zoenen. Daarna aaide ik over zijn clownspruik.
 De straten waren natgespoten. De aristocraat draaide het volume van de autoradio omhoog. Hij en ik hadden niets meer te bepraten. We bevonden ons in een prettig zwijgen. Juist omdat er iets was geprobeerd dat was mislukt, de pretenties van de avond waren verdwenen, de champagne weg was, nu weer vijftien verdiepingen van ons verwijderd was.
De Aristocraat had The Plastic Bag Theme van Thomas Newman opgezet. Of eigenlijk had zijn BMW Z4 dat gedaan. Pianogepingel dat onlosmakelijk verbonden is met een dwarellende plastic tas die boven de straten van een Amerikaanse suburbiastraat zweeft. Kevin Spacey die in een garage aan zijn lijf werkt. Annette Benning die woedend aan de eettafel staat.

We reden op een vierbaansweg, die leeg was op één rode vrachtwagen na. De vrachtwagen reed ver voor ons uit en stopte bij het rode stoplicht. 
 
Ik zou kunnen zeggen dat mijn hoofd nog bij Kevin Spacey of Annette Benning of het plastic zakje of de Liefde was, maar dat was niet zo. 
Ik was daar, ik zag precies wat er gebeurde. Ik zag hoe de Aristocraat met tachtig kilometer per uur op de vrachtwagen afreed. 
Hij keek strak voor zich uit, zijn voet liet het gas niet los, zijn voet verplaatste zich niet naar het rempedaal. 
Ik trok niet aan het stuurde, ik opende mijn mond niet om hem te zeggen dat het zo niet goed ging. Ik vroeg me niet eens af waarom hij op het punt stond zijn auto op een andere te laten knallen, omdat ik was bevangen door hetzelfde nietsdoen als hij. We waren lamgelegd, bevroren door een verstilling waar dichters en kunstenaars een oeuvre lang naar streven. 
 
Daar gaat de BMW Z4 dacht ik. Daar gaat het glanzende grijs. 
Ik dacht aan het woord kooiconstructie. Ik greep de veiligheidsgordel vast en op het dashboard zocht ik naar het woord AIRBAG. Toen ik het niet kon vinden deed ik precies wat een kind zou doen. Een kind van vijf misschien. Ik kneep mijn ogen samen. 
 
In de ambulance drukte de verpleegster op verschillende plekken in mijn lijf, alsof ze elk onderdeel wilde reanimeren. Heb je pijn, vroeg ze in het Spaans. Nee, zei ik in het Nederlands. Heb je hier pijn, vroeg ze. Nee, daar ook niet zei ik. 
Toen ze mijn hele lijf had bevoeld, vroeg ze me of er iemand was die ze kon bellen. Mijn Broer, zei ik. Bel alsjeblieft mijn Broer.

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Maurits de Bruijn’s story.