Stadscomponist

Geschreven najaar, 2006

De titel Stadscomponist is wennen, net als nieuwe schoenen. Zelfs ‘componist’ past al zo lastig bij wat ik doe. Als je ergens in afstudeert krijg je automatisch een labeltje mee, in mijn geval dus componist. Wat misschien beter had gepast was bijvoorbeeld ‘bedenker van klinkende gebeurtenissen die het leven een beetje echter maken’. Of: ‘ongemerkt doorbreker van zorgvuldig gebouwde grenzen in de belevingswereld van mensen’. Beide studierichtingen waren helaas niet voorhanden. De compositiestudie was dan ook eigenlijk een dekmantel om mijn eigen gang te gaan. Zo vond mijn officiële eindexamen in een duf kamertje plaats waar een droge partituur werd beoordeeld, terwijl ik een week daarvoor, tijdens de uitvoering van het stuk, acteurs, figuranten, licht en interactie met het publiek had gebruikt om een speciale sfeer te scheppen. Dat dat niet tot de officiële afbakening van mijn beroep hoorde, was een mening van de examencommissie waar ik me tot nu toe weinig van aantrek.
Nu maak ik het liefst muziek die een hele omgeving omvat. Externe factoren zijn voor mij geen storende elementen, maar interessante gegevens die ik graag opneem in het stuk. Het publiek moet de vreemdheid van het bestaan proeven, en iets unieks meemaken door middel van ongewone interactie met je omgeving. Ik heb daarom weinig met de artificiële en soms krampachtige stilte van een concertzaal, en wil eigenlijk het liefst muziek maken die is als het leven zelf, geluid dat je omringt als een stad om je heen. Geen gekke titel eigenlijk, stadscomponist.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.