Steriele en veilige kunst blijft over

Pleidooi voor een Nota Culturele Infrastructuur

Dit artikel verscheen eerder in Trouw, Podium op 12 juni, 2004

In een tijd dat het nieuws wordt gedomineerd door cultuurkwesties als integratie en Europese eenwording, lijkt het stimuleren van een levendig cultureel klimaat in Nederland bijzaak in politiek Den Haag. Na het recente advies van de Raad voor Cultuur over de verdeling van de rijkssubsidies voor de komende 4 jaar, en het besluit van staatssecretaris Van der Laan om het Nederlands Radio Symfonieorkest op te heffen, ruziet de kunstwereld onderling over wie er het meeste recht heeft op een duit uit de zak. Na enkele stukjes in de krant en een preek van de dirigent voor zijn publiek, wordt het vervolgens angstig stil. Niemand lijkt op te komen voor het belang van een bruisende cultuur voor het veelkleurige maar nog steeds kille Nederland, en als Den Haag in de tussentijd een meevaller van 400 miljoen opzij zet “voor grote infrastructurele bouwprojecten” is het wederom niet de afbrokkelende (multi) culturele samenhang die eens stevig in de steigers wordt gezet.

Waarom geven we zoveel geld uit aan infrastructuur in beton en asfalt, maar is er niemand die een bouwplan opstelt voor een stabiel en levendig cultureel leven? Waarom mag het bouwen van een spoorlijn wel 30 miljoen hoger uitpakken, terwijl het ondenkbaar is dat de bouwkosten van een coherente samenleving flink hoger zouden worden? Het is toch immers evenzeer overmacht als door een tegenvallend sociaal klimaat en twee jaar verdeeldheid zaaiende politieke botheid, veel jonge Nederlanders de band met hun omgeving verliezen?

Wellicht is het wat ambitieus om in enkele zinnen de waarde en betekenis van cultuur te willen formuleren. Ik zal een poging wagen, daarin ongetwijfeld onvolledig zijn maar daarom juist de behoefte signaleren aan een krachtige ambassadeur voor cultuur; iemand die kan onderbouwen dat cultuur de innerlijke structuur is van de samenleving, en hiervoor een overtuigende Nota Culturele Infrastructuur zou kunnen maken.

Kunst is de hoogste vorm van communicatie; cultuur is je houvast aan de wereld om je heen en je identificatie met je omgeving. Culturele uitwisseling doorbreekt de tendens van verbrokkeling die op verschillende fronten de samenleving aantast. Culturele gebeurtenissen tonen op een positieve manier de rijkdom en energie van de jongste generatie en de verschillende bevolkingsgroepen in het land en kunnen zo een sleutelrol vervullen in de integratie van autochtonen in het nieuwe Nederland (en dat is geen zetfout…). Verschillen worden zichtbaar, en daarom juist interessant en sprekend in plaats van raar en bedreigend.

De visie van de Raad voor Cultuur (getiteld: “Cultuur, meer dan ooit”) leek hierop aan te sluiten, maar het advies dat de Raad vervolgens heeft uitgebracht bewijst het tegenovergestelde. In veel gevallen zijn jonge initiatieven “interessant, oorspronkelijk en gedurfd” genoemd, maar afgewezen omdat ze zich “momenteel nog in een ontwikkelingsstadium” bevinden. Zo is het advies helemaal geen “Spiegel van de Cultuur” (de titel van het advies) maar een spiegel waarin de leden van de Raad zichzelf en de gevestigde, degelijke en kwalitatief onberispelijke culturele instellingen waaruit ze afkomstig zijn, het mooist terugzien.

De Raad voor Cultuur overzag wellicht de bruutheid van een forse bezuiniging in de vaak onderbetaalde en met veel idealisten en vrijwilligers werkende culturele sector. Om de schade te beperken, ontwierp de Raad slinkse methoden om een paar miljoen zo geruisloos mogelijk bij de orkesten weg te schaven, zodat de staatssecretaris toch goede sier kan maken bij het rekenkabinet.

Door niet te hakken maar te krabben, is de werkelijke schade (in veel gevallen door inflatie e.d. in totaal een bezuiniging van 20%) weggemoffeld, en de angel uit het debat gehaald. De kunstinstellingen met subsidie zijn immers al lang blij dat ze überhaupt weer vier jaar kunnen bestaan; de instellingen die zijn opgedoekt kunnen alleen maar opkomen voor hun eigen belang en de afgewezen nieuwe initiatieven hebben al helemaal geen poot om op te staan. Wat er nog met bezwaarschriften en boze brieven bereikt kan worden, gaat altijd ten koste van een andere club, en zo blijft cultureel Nederland zichzelf in de staart bijten, zonder dat publiek of politiek zich aangesproken voelt.

Wat de eervorige staatssecretaris voor cultuur, Rick van der Ploeg, de gevestigde instellingen door de strot wilde duwen (kunst die inhaakt op de maatschappij en nieuwe publieksgroepen actief betrekt), broeit en borrelt overal. De Raad lijkt echter lichtelijk door Van der Ploeg’s voortvarendheid te zijn getraumatiseerd en hamert slechts op het feit dat er puur op kwaliteit is geselecteerd. Dat de hoge kwaliteit en diversiteit die er in Nederland is op het gebied van meer gevestigde kust bewaard moet worden, staat buiten kijf. De politiek lijkt echter niet te zien dat er een enorm potentieel in de cultuur is dat door deze eenzijdige benadering onontsloten blijft. Het voornemen om zich nooit met het oordeel over kunst te bemoeien (het zgn. Thorbeckeprincipe) wordt aangegrepen om zich te distantiëren van uitspraken over de maatschappelijke waarde van cultuur.

Zoals reclame, media en opinie inspelen op de trend van het moment, zo zijn er jonge kunstenaars die nu iets te zeggen hebben over de wereld waar we deel van zijn. Het is niet de kunst die uitblinkt in stabiele volmaaktheid (“kwaliteit”), maar in dynamiek en communicatie die van onvermoede waarde is voor de samenleving. Niet de kunst om de kunst die zich terugtrekt in haar steriele laboratoria (de concerthuizen, theaters en musea), maar de kunst die spreekt, luistert en commentaar geeft, kan de innerlijke samenhang van Nederland een grote dienst bewijzen.

De door de Raad geformuleerde focus op stabiliteit maakt de kunstenaar echter in zichzelf gekeerd, en gericht op duurzaamheid en continuïteit. Over vier jaar mag je als uitgekristalliseerd talent dan misschien wél in het kunstenplan, maar de samenleving heeft er dan bijna niets meer aan; de wereld is al weer veranderd, en de niet meer zo jonge organisaties krijgen subsidie voor hun eigen museumpje waarin ze rustig kunnen nasidderen.

Zonder een sterk en overtuigend bouwplan voor een levendige en creatieve maatschappij zal de volksvertegenwoordiging cultuur vooral blijven zien als een luxe element waar we in tijden van schaarste helaas niet teveel geld aan kunnen uitgeven. Er is niemand die de rekenaars in Den Haag van het belang van een jong en avontuurlijk cultureel leven voor het rijke maar onsamenhangende Nederland overtuigt. De staatssecretaris toont zich vakbekwaam door keurig de gevraagde bezuinigingen door te voeren en de Raad voor Cultuur selecteert de meest veilige kwaliteit die er voor het beschikbare budget gekocht kan worden. Vervolgens verliest de kunstwereld zich in interne twisten en wordt een onzinnige en pijnlijke discussie gevoerd over de vraag of een uniek symfonieorkest waarin jarenlang is geïnvesteerd in kwaliteit, evenveel waard is als 10 nieuwe en onzekere initiatieven. In Den Haag waagt niemand zich aan het pleidooi voor een veelzijdige cultuur als ruggegraat van de samenleving, en laat men de staatssecretaris de kunst weer vier jaar weloverwogen steriliseren.

A single golf clap? Or a long standing ovation?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.