Reveil voor hobby-componisten

De lat voor amateurs ligt hoog

Dit artikel verscheen eerder in 2006 bij KaapKunst

Er zijn dingen die je liever aan professionals overlaat.

Chirurg, piloot, legercommandant — stel je voor dat je dat voor je lol mag doen. Gelukkig is het het spel Dokter Bibber waarin je chirurg kunt zijn zonder gevaar voor anderen. En een Boeing besturen kan met een simulatiespel op de computer net als schieten op alle mogelijke tegenstanders.

Ook in de kunst zijn bepaalde taken gereserveerd voor profs. Een amateurorkest of -koor heeft vaak weinig geduld voor een ongeschoolde dirigent. Een amateur-architect zal niet snel het budget vinden om zijn hobby uit te voeren (met name als hij zich specialiseert in wolkenkrabbers, stadions en bruggen). Ook amateur-componisten vind je nauwelijks. Er zijn wel wat professionele musici die soms iets componeren (en daar dan extreem bescheiden over doen), maar mensen met componeren als officiële hobby zijn zeldzaam.

Navraag bij het diagnostisch centrum van het Instituut Zeldzame Vrijetijdsbeoefening leert dat de weinige hobbycomponisten van Nederland zich vooral bezighouden met het componeren in een klassieke stijl. Het instituut kwalificeert dit als “een op voorhand hopeloze exercitie” en categoriseert deze liefhebberij dan ook als “sociaal risicovol”. Er is namelijk een dusdanige beheersing van muziektheorie, harmonieleer en contrapunt vereist dat de lol er snel af gaat. Vrienden, vaak eveneens muziekliefhebbers, horen binnen tien maten dat jouw stuk niet echt barok of klassiek is, maar een imitatie. Daarnaast is het niet eenvoudig om spelers te vinden die zelfgemaakt knutselwerk willen uitvoeren. Musici hebben de keuze uit composities van eeuwen die momenteel toegankelijk zijn. Voordat ze jouw stuk verkiezen boven een (ander) meesterwerk moet er heel wat gebeuren. Componeren als hobby gaat daarom ook slecht samen met verlegenheid.

Niet alleen voor amateurs ligt de lat hoog. Ook componisten met een conservatoriumopleiding hebben doorgaans nog een andere baan erbij, omdat van componeren alleen niet te leven valt. Er zijn niet alleen al erg veel composities, ook het publiek voor nieuwe muziek is maar klein. En áls je al een opdracht krijgt, blijft het vaak bij een première en de kans dat een muziekstuk echt repertoire zal worden is miniem.

Componeren is falen, niet alleen voor amateurs. Het streven naar onsterfelijkheid zoals de klassieke componisten dat hebben is even onmogelijk als een meesterkok die wil dat zijn hoofdgerecht dat hij zojuist gekookt heeft ook morgen of volgend jaar nog heerlijk is.

Maar er is hoop voor hobby-componisten. Het is een tragisch en hardnekkig misverstand dat kwaliteit in kunst alleen bepaald wordt door het kunstwerk zelf. Een schilderij, theaterstuk of symfonie is geen kunst, maar slechts een eerste aanzet tot een artistieke belevenis. Het echte kunstwerk ontstaat in je binnenwereld. Het is een reactie van emoties en gevoel met de prikkeling van buiten. Deze chemie wordt sterker en intenser als het contact tussen kunstwerk en publiek heel direct is, als je betrokken bent bij het onderwerp en als je je durft open te stellen voor het werk. Daarom telt niet alleen de kwaliteit van het kunstwerk zelf, maar ook de kwaliteit van het contact dat wordt gelegd.

Componisten die zich niet terugtrekken maar openlijk experimenteren, hun stukken samen met musici vormgeven en het publiek hierbij betrekken kunnen de kwaliteit van de ervaring van de luisteraar vergroten. Daar hoef je niet conservatorisch geschoold voor te zijn. Juist het feit dat jíj dit experiment maakt, dat het in het nu plaatsvindt en dat de luisteraar hier direct getuige van is, is van waarde. Door niet te streven naar perfectie, maar samen met de musici te experimenteren, kan een componist een belangrijke bijdrage leveren aan de (amateur) muziekpraktijk. Een concert is dan niet meer een pijnlijke confrontatie met je eigen onkunde maar een gedeeld klankavontuur, vele malen spannender dan een foutloos meesterwerk.