KROEGTIJGERS

Het vriendengezelschap keek op toen een man in een regenjas de volle kroeg binnenkwam. ‘Hé Jaap, jongen,’ riep een van hen boven het lawaai uit, ‘had jij niet een kroegverbod?’ Alledrie keken ze belangstellend toe hoe Jaap zich een weg naar de bar baande. ‘Kroegverbod?’ vroeg een muizig mannetje met een grote snor. ‘Ja, niet gehoord?’ antwoordde de eerste spreker, terwijl hij een grote slok bier nam en zijn natte hand afveegde aan zijn strak om zijn omvangrijke buik getrokken T–shirt. ‘Japie is te vaak weggeweest de laatste tijd en nou mag Japie van het thuisfront voorlopig niet meer.’ Hij maakte een drinkgebaar naar de barkeeper. ‘Japie’ had de bar inmiddels bereikt en bromde iets onverstaanbaars.

‘Heb jij nou sloffen aan, man?’ informeerde de verzorgd in het pak gestoken derde. Jaap knoopte als antwoord zijn regenjas los en liet een gestreepte pyjama zien. ‘Ik heb gewacht tot Mary sliep en toen een regenjas aangeschoten.’ Een bulderend gelach steeg op, terwijl de barkeeper een biertje voor Jaap neerzette. ‘Van Eric,’ wees hij op het T–shirt. ‘Piet, Andreas, nog een fluitje?’

De vrienden hadden nog een paar fluitjes weggewerkt toen de deur weer openging en er twee kerels binnenstapten, een glad uitziend pooierstype en een beer van een vent met een boksersneus.

‘Niet direct kijken, jongens,’ zei Eric, ‘maar daar heb je Mooie Robbie met zijn gorilla.’ De vier gluurden omzichtig naar het duo. ‘Ruudje, jeweetwel, van die autowasserijketen, zit daar in de hoek.’ ‘Dat wordt knokken,’ beaamde Piet.

De vier mannen keken belangstellend toe hoe Mooie Robbie op Ruudje van de autowasserij afbeende, lijfwacht op zijn hielen. Wijdbeens ging hij voor hem staan.

‘Voor de laatste keer, jij blijft van mijn wijf af, anders kan je rekenen op bezoek van Harrie hiero!’ brulde Robbie, wijzend op zijn massieve beschermer, die verwachtingsvol grijnsde. Ruudje leek niet onder de indruk. ‘Je mot je wijf aan de leiband leggen als je niet wil dat ze het met andere kerels aanlegt.’ zei hij lijzig. Robbie zoog sissend zijn adem in en haalde uit naar Ruudje’s gepommadeerde kapsel. Wegduikend verkocht Ruudje de ander een uppercut. Meteen veranderde de kroeg in een chaos van geschreeuw en worstelende lichamen. De vier vrienden drukten zich tegen de muur om het geweld te ontlopen. Glazen, flessen en asbakken vlogen in het rond en braken op de muur in stukken. Toen stond de kroeg ineens vol met blauwe uniformen, adequaat gebeld door de barkeeper. Zo snel als het gevecht was ontstaan, zo snel was het met de aankomst van de sterke arm weer voorbij. Ruudje, Robbie, Harrie en andere vechtersbazen werden vlotjes in handboeien afgevoerd; de agenten kenden hun vaste oproerkraaiers.

Pas toen de rust een beetje was weergekeerd zagen de vrienden Jaap op de grond neergezegen. Geschrokken bogen ze zich over hem heen, ‘Jaap, jongen, wat is er?’ Eric schudde Jaap aan zijn schouder. ‘Zijn hoofd bloedt!’ riep Andreas, ‘hij moet naar de eerste hulp!’ Gezamenlijk sjorden ze Jaap overeind, die langzaam tekenen van leven vertoonde.

Een uurtje later vertoonde een schaapachtig kijkende Jaap zijn in een dik verband gestoken hoofd aan zijn vrienden in de wachtruimte van de eerste hulp. ‘Daar ben ik mooi klaar mee,’ mopperde hij, ‘hoe ga ik dit in vredesnaam thuis verklaren?’ Eric, Piet en Andreas begonnen te grinniken; nu de schrik voorbij was konden ze de humor wel waarderen van het lastige parket waarin hun kroegmaat zich bevond.

Kom, we brengen je wel even thuis,’ zei Eric, waarop Piet en Andreas hun vriend onder de armen namen en zonder acht te slaan op diens protesten naar de taxi droegen. Bij Jaaps huis aangekomen opende het slachtoffer met een donker gezicht de voordeur en stak zijn hand ten afscheid op. ‘Hé, Japie, kom je buiten spelen?!’ brulde Eric ineens keihard. ‘Ssssssst!’ gebaarde Jaap met woeste gebaren. Giechelend als schoolmeisjes trokken de drie zich in de wachtende taxi terug.