ONDERWEG

Elke dag word ik bij de uitgang van het station geroepen door de klanken van een accordeon. Ze leiden me naar een zwerver die ik anders over het hoofd had gezien, verstopt als hij is tussen uitzwermende Armanipakken en Samsonites. Een keer per week geef ik hem een één- of twee-euromuntje, naargelang mijn financiële situatie. We zijn inmiddels op wederzijdse-groetbasis; ook op muntjesloze dagen roept hij enthousiast Hoi naar me.

Ik knoop wel eens een praatje met hem aan: waar hij vandaan komt — Syrië — en waar hij leeft en slaapt. “Hohoho,” — als een volleerde Kerstman, in perfect Nederlands met een licht accentje — “ik slaap meestal bij het Leger des Heils! Lieve mensen, ik kan altijd wel wat eten scoren. Kopje dikke groentesoep, lekker hoor!”

De laatste tijd is mijn vriendelijke zwerver er vaak niet. Als hij er wel weer een keertje is schrik ik: ingevallen kop, doffe blik, haar in plakken grijs vilt. Ik vraag of alles wel goed met hem is. Zijn tandeloze grijns wisselt hij af met dronkemansnijd. “’k Mag niet meer bij het Leger des Heils, ze zeggen dat ik stink.” Dat klopt; ondanks de alcoholwalm is de penetrante verschaalde-urinelucht onmiskenbaar. “Maar maakt niet uit, hoor!” Hij wijst naar het voetgangerstunneltje onder de snelweg, een eindje verderop. “Ik heb daar een prima plekje gevonden, onder de weg.” Schor gegrinnik. “Die auto’s zijn onderweg en ik ook, hahaha!” Ik druk hem een biljet van 5 euro in zijn hand. “Dank je wel juffie, ik zal er lekker van eten, geen drank hoor, nee!” Hij schuifelt weg.

Twee dagen later. Mijn vriendelijke zwerver blijkt veranderd in een onverstaanbare, lallende klanken uitstotende figuur, die heftig met zijn armen zwaaiend uithaalt naar geschrokken voorbijgangers. Hij ziet er gevaarlijk uit, als een mottige ouwe circusleeuw die je nog danig kan toetakelen. Toch probeer ik hem aan te spreken, maar onder boos gesnuif wuift hij me weg en trekkebeent ervandoor

Het Leger des Heils is niet ver weg en ik ga er langs om naar mijn zwerver te vragen. Een aardige heilsoldaat weet meteen wie ik bedoel. Hij zucht.

“Het is in wezen een lieve man, maar hij is aan de drugs en alcohol geraakt en dat wordt steeds erger. Wil niet onder de douche. Vuil is lekker warm, zegt-ie.” Hij wijst naar een ondefinieerbaar vies klontje dat in een hoek ligt. “Dat vest hebben we nog kunnen omruilen.”

Hij ziet mijn wat-moeten-we-nou-blik.

“Wij vinden het ook heel naar. Hij is bootvluchteling, uitgeprocedeerd, kan geen kant meer op. Maar we kunnen hem niet handhaven, we moeten ook aan onze andere klanten denken.” Knikkend naar een soepslurpende magere jongen met een blauw oog: ”Die maakte een opmerking over de stank.”

Met een beklemd gevoel neem ik afscheid. Ik begrijp het wel, maar wat dan?

Na mijn bezoekje aan het Leger des Heils zie ik mijn zwerver helemaal niet meer. Ik ga weer naar ze toe.

De heilsoldaat kijkt treurig. Mijn zwerver is in het voetgangerstunneltje gevonden. Dood.

Niet meer onderweg maar ook niet aangekomen.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.