
Dennenbos
Ik kijk in je uitgewrongen ogen,
Overspoeld met daden en momenten
Die geen van ons beiden
Meer herinneren kan.
Op de grond liggen lege woorden
Die al lang geleden opgedronken zijn.
Je lijkt te trillen, zoals je doet
Maar dat voel ik niet,
of nauwelijks nog.
Je laat je littekens zien, zeg je schuw
Als eerste bloot aan mij.
Begripleeg lach ik
Schuifel terloops wat heen-en-weer
En voel dat het drijfzand onder m’n voeten
Toch echt een vloer zegt te zijn.
Tenenkrommend,
Om m’n balans maar niet te verliezen,
Wanneer de wonden even knipperen
Voordat ze me zielloos aangapen
Woelen de vergeten woorden
Zich tussen de holtes van m’n voet
En trekken ze keurige figuurtjes in de lijnen
Van de afdruk waarop ik vaak gelopen heb.
En jij dan?
Hoe ben jij dan?
Vraag je vluchtig
Je lijkt te dwalen
In een dennenbos vol lettergrepen
Waarin vermicelli letters
Hol mede-klinken
En waarin jij
Steeds maar niks ontmoet
Dan ontbloot ik de mijne.
O, ik zie je kijken
Een doornenbos gevlochten
Luister ik je denken.
Doorkruist met flinke vegen
Als een baken ongenadig
Versiert het meer dan ogen
Dan m’n huid ook maar ontkleden kan.
Wat is dat? — lijkt je te spreken
Alleen woorden blijven uit.
Misschien heelt tijd
Dan toch niet alle wonden
En moet ook ik
In het dennenbos vooruit.
