Wachten
Het vriest nog net niet, de kou voelt bevroren aan, je wil naar binnen. Als het even waait, snijdt de wind in onbedekte huid. Dat prikt, je ogen knipperen als vanzelf en worden vochtig. De geur van verbrand hout verraadt dat de kou binnen werd gevoeld. Gordijnen zijn gesloten, deuren zitten in het slot, de avond ligt op de nacht te wachten. Voorzichtig zweeft ijzige regen door de lucht, autobanden klinken natter. Fietsers nemen de bocht uit voorzorg voorzichtig, een jongen stuurt zijn scooter over de rotonde alsof er geen gevaar schuilt in de weersomstandigheden. Straatverlichting probeert de druppels te volgen tot op de grond. Het is donker op de plek waar gisteren een lantaarnpaal werd geknikt. In de verte verschijnt het oranje zwaailicht van een strooiwagen. De vorst wil meer, de mens minder en dus strooit de laatste preventief pekel in de rondte. Daarmee verdwijnt de kou niet, maar het gevaar wel. Aan de overkant laat een vader de hond van de kinderen uit. Het gloeiende uiteinde van een sigaret verraadt de roker, blij met de gelegenheid, balend van het weer. Zijn adem gaat in rook op, met elke haal een stap dichter bij de dood. De schnauzer trekt zich van de regen niets aan en volgt een geurspoor. De strooiwagen is een zijweg ingeslagen en laat de doorgaande weg autoloos achter. Het achterlicht van de scooter is niet meer te zien. Ik loop tegen beter weten in bij de bushalte weg, naar huis, om over een half uur opnieuw op jou te gaan staan wachten, desnoods tot de laatste bus, wanneer het al morgen is.