Harry

“Als je mij gevraagd had of ik dat zetje zag, dan had ik dat zetje zo gezien. Maar ik zag dat zetje niet.”

Vol ongeloof drommen de dammers van damclub Den Haag om Harry heen. Harry hangt achterover in zijn stoel. Wat een makkelijke afsluitende partij om de Bert Karmanbokaal had moeten zijn was een afgang geworden.

“Sterker nog, een paar zetten eerder had ik dat zetje volgens mij wel gezien. Maar omdat hij ineens zo agressief in de aanval ging heb ik dat zetje uit het oog verloren.”

Engelbertus, die naast het analysebord staat, voelt vanuit zijn voeten woede groeien. Langzaam kruipt de kwaadheid langs zijn knieën naar zijn maag.

“Maar Harry, hoe kan je die 2-om-4 nou missen?”

Kalm antwoord Harry: “Negenennegentig van de honderd keer zie ik het. Maar …”

Voordat Harry door kan praten bereikt Engelbertus’ boosheid het kookpunt.

“Je damt gewoon op halve kracht. Je zit hier op je dooie gemakje aan de tafel, maar concentreren, ho maar!”

Hier is Harry niet van gediend. Engelbertus moet niet denken dat hij hem een beetje de les kan gaan lezen. Wie denkt hij wel niet wie die is, in ieder geval geen voormalig Haags damkampioen.

“Luister Bertus, ik begin hier ook niet over jouw kampioenspot tegenover John vorig jaar, laat staan over de drie keer die je al van Sanjay verloren hebt. Niemand verliest drie keer van Sanjay.”

De dammers om Harry draaien zich naar Engelbertus. Even overweegt die het demonstatie-dambord met damstenen en al door de kamer te donderen, maar na een diepe uitademing besluit hij naar buiten te benen. Met een doffe knal klapt de deur achter hem dicht.

“En toch,” vervolgt Harry, “toch had ik dat zetje gezien.”