Met Montaigne in het achterhoofd.

Deel 1. Zijn wereld — zijn bewonderaars

De Essais(1) van Michel Eyquem de Montaigne (1533–1592) baarde opzien. Fundamentele pijlers van het Westerse denken, zoals de superioriteit van de eigen beschaving en het vertrouwen in de menselijke rationaliteit, bestreed Montaigne met verve. En ook nu heeft hij ons nog veel te vertellen. Meesterwerken zijn tijdloos en het doel dat hij met zijn boek voor ogen had — zichzelf te willen beschrijven — lijkt naadloos te passen in deze tijd van selfies en internetprofielen. In de Essays draait alles om hem. Montaigne woonde op zijn kasteel met zijn moeder, zijn vrouw en zijn dochter, maar hij noemt hen zelden of nooit. Desalniettemin gaat hij intellectueel veel verder dan de moderne narcist. Zijn drang zichzelf te leren kennen, had als doel iets te onthullen van de essentie van het mens-zijn.

Vooruitgang en conflict

Ten tijde van Montaigne was er sprake van grote vooruitgang van kennis en wetenschap, die als zowel verwarrend als bevrijdend werd ervaren. De verhalen van ontdekkingsreizigers spraken tot de verbeelding, maar ze relativeerden tegelijkertijd de superioriteit van de eigen cultuur. De wetenschap bloeide als nooit tevoren, waarbij sommige theorieën krenkend waren voor het mensbeeld, zoals de berekeningen van de Poolse astronoom Nicolas Copernicus, die de aarde uit het middelpunt van het heelal hadden gestoten. Ook nu verloopt de wetenschappelijke ontwikkeling in sneltreinvaart, de mens soms in verwarring achterlatend. We kunnen naar Mars reizen, maar overzien we de gevolgen daarvan? We kennen het menselijke DNA en zijn zelfs in staat het te veranderen, maar hebben we een antwoord op de bijbehorende morele vragen? Montaigne lezen is waardevol, omdat hij kennis relativeert en een scherp oog heeft voor de menselijke drang naar altijd meer. Tegenwoordig zijn prestaties maatgevend en cijfers veelbepalend, waarmee het menselijke dreigt te worden verdrongen. Zijn teksten geven blijk van een grote liefde voor de (onvolkomen) mens, en niet te vergeten het dier. Men mag gerust stellen dat er vóór Montaigne niet zo treffend en inlevend over dieren werd geschreven. Montaigne leefde te midden van bloedige opstanden, religieuze conflicten en heksenvervolgingen. In 1572 werd het verzet van het Franse volk tegen de belasting op zout wreed onderdrukt en de inquisitie maakte jacht op de hugenoten, met als dieptepunt de Bartholomeusnacht en de daarop volgende moordpartijen die duizenden slachtoffers eisten.

Sinds de zestiende eeuw was er in Frankrijk en in de omringende landen geen garantie op vrijheid, zelfs niet van denken. Montaignes moedige houding en scepticisme tegenover religie zijn nog steeds inspirerend. Het huidige Europa is er beter aan toe, met al meer dan zeventig jaar geen grote onderlinge oorlog. Maar van een bestendige vrede is evenmin sprake. Europa voert oorlog op veilige afstand, waarbij het dagelijkse leven van de Europeaan niet of nauwelijks wordt verstoord. Behalve dan door de miljoenen vluchtelingen die hier naar toe willen en de terroristische aanslagen die de samenleving proberen te ontwrichten, met als gevolg dat sommige vrijheden onder druk staan. Net als Montaigne ontkomen we er niet aan ons te verhouden tot de eigentijdse ontwikkelingen. En net als hem hebben we de keuze — en misschien wel de opdracht — de eigen vrijheid te bewaren, zonder dogmatisch of onmenselijk te worden.

Geestelijke onrust

Montaigne schreef zijn essays nadat hij jarenlang als politicus en soldaat had gediend. Op achtendertigjarige leeftijd voelde hij de noodzaak zich af te zonderen en zowel de wereldse ellende als de dagelijkse beslommeringen de rug toe te keren. De eerstvolgende tien jaar van zijn leven woonde hij in een van de torens van zijn kasteel. Zijn dagen bracht hij door met het lezen van boeken uit zijn eigen, uitgebreide bibliotheek of met het bijwonen van de heilige mis in zijn privékapel. Een nis in zijn slaapkamer zorgde ervoor dat zelfs wanneer hij ziek of lui was, hij toch getuige kon zijn van de dienst één verdieping lager. Montaigne hoopte op geestelijke rust, maar na een aantal jaren van afzondering vergeleek hij zijn geest met een op hol geslagen paard. Hij dacht het te temmen door alles op schrift te zetten. De Essays bevat een schat aan inzichten, ook al wilde Montaigne geen boek schrijven waar mensen iets van konden leren. Hij achtte intellectuele bezigheid niet noodzakelijk voor een goed leven: “Illiterati num minus nervi rigent“ (Wordt het lid van een ongeletterde soms minder stijf?)(2). Toch schreef hij meeslepend over filosofie, schetste een helder tijdsbeeld, en gaf hij tegelijkertijd blijk van een scherp inzicht in de menselijke psyche.

Bewonderd en gehekeld

Veel lezers noemen Montaigne een intieme vriend, zonder wie het leven een stuk zwaarder zou zijn.(3) Dat geldt ook voor mij. De wijze waarop hij zichzelf in de Essays portretteert is innemend, uitnodigend en inspirerend. Meer dan vierhonderd jaar na de eerste uitgave, spreekt het boek nog steeds tot de verbeelding. Het wordt gelezen en geroemd door grote schrijvers, kunstenaars, politici en filosofen en door de gewone sterveling — zoals ik. De gedachten van Montaigne zijn herkenbaar en universeel. Een enorme prestatie voor iemand die zich van de wereld afwendt om zich geheel aan zichzelf te wijden. De hedendaagse Duitse filosoof Rüdiger Safranski zei ooit: “De mens keert zich in zichzelf en verliest de wereld, en hij gaat de wereld in en verliest zichzelf.”(4) Montaigne overkwam geen van beide.

Montaigne werd niet alleen bewonderd, maar ook gehekeld. De Franse denker Blaise Pascal (1623–1662) had een dubbele houding ten opzichte van de Essays. Het boek had hem sterk beïnvloed en veel indruk op hem gemaakt, maar evenzeer ergerde hij zich aan Montaignes vrijzinnige en sceptische houding. Terwijl Pascal hem juist erkentelijk had moeten zijn. In zijn beroemde Pensées (Overpeinzingen) staat: “Dat alle ellende van de mensen alleen daaruit voortkomt, dat zij niet rustig in hun eigen kamer kunnen blijven.”(5) Laat dat nu net zijn wat Montaigne tien jaar lang deed.

Montaigne werd vaker bekritiseerd, zoals door de wiskundige en filosoof René Descartes (1596–1650). Als rationalist pur sang was Descartes niet gewend goed om zich heen te kijken. Vandaar Montaignes observatie dat, als wij met onze kat spelen deze zich misschien wel meer met ons vermaakt dan wij met haar, voor hem abracadabra was. Descartes was niet de enige die moeite had met Montaignes opvatting dat de mens een feilbaar wezen is en gelijkwaardig aan andere dieren. De katholieke kerk zette de Essays op haar beruchte Index. Opvallend is dat ook het werk van Descartes op deze lijst stond. Terwijl hij toch druk in de weer was geweest het bestaan van God te bewijzen. Desondanks had hij de kerk geschoffeerd: Gods bestaan hoefde immers niet te worden bewezen. Het cartesiaanse godsbewijs botste net als Montaignes vrijzinnige geloof met het kerkelijk dogmatisme.

De gok van Pascal

“Onwetendheid en zorgeloosheid, ach, wat vormen die toch een zacht, aangenaam en gezond kussen om een weldenkend hoofd op te laten rusten!”(6) Het was vooral deze zin van Montaigne waarvan de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844–1900) meende dat die Pascal had verontrust. In een van zijn talloze aforismen schreef Nietzsche dat niemand meer behoefte had aan een comfortabel hoofdkussen dan Pascal. Waarom dacht hij dat? Omdat Pascal zelf zondig was. De katholieke filosoof en theoloog had een nogal pragmatische houding ten opzichte van geloven. Hij probeerde niet het bestaan van God te bewijzen, dat was toch tot mislukken gedoemd, maar vroeg zich af wat beter was: wel of niet geloven in God? Wél natuurlijk, want indien God bestaat, wordt de gelovige beloond met eeuwigdurende zaligheid, terwijl voor de ongelovige verdoemenis wacht. In het geval dat God niet bestaat, is er ook geen man overboord, want het geloof heeft dan tot een deugdzaam leven geleid. Deze redenering kon Nietzsche niet verkroppen. Pascal was een van de meest verwerpelijke christenen omdat hij, zoals kenmerkend voor het christendom, mensen uit angst wilde laten geloven, en bovendien hen inwreef dat Gods bestaan niet bewezen kan worden. Pascal wilde zoveel twijfel zaaien, dat niet geloven geen keuze meer kon zijn. Dat hij hiermee Gods bestaan in twijfel trekt, is in de ogen van het christendom een zonde.(7) Vandaar Nietzsches constatering, dat het angstige en bezorgde hoofd van Pascal baat zou hebben bij een comfortabel kussen om de onrustige nachten op door te brengen.

Eerlijkheid

In tegenstelling tot Descartes en Pascal had Nietzsche veel waardering voor Montaigne. Wellicht vreemd, aangezien Montaigne zijn katholiek-christelijke overtuiging uitvoerig beschrijft, evenals zijn verlangen naar zorgeloosheid. Het laatste waarvoor men achting verwacht van een filosoof die God voor dood verklaarde en het verlangen naar rust een symptoom van ziekte noemde. Bij Nietzsche aan zorgen geen gebrek. Zijn werk is het enige dat mij letterlijk hoofdpijn geeft. Dat heeft te maken met de indringendheid en de compromisloze eerlijkheid. Dat is ook wat Nietzsche zo bevalt aan Montaigne: diens eerlijkheid. In Nietzsches Oneigentijdse beschouwingen staat een vernietigende cultuurkritiek. Vooral de derde beschouwing, Schopenhauer als opvoeder, is meesterlijk. Op zijn bekende lyrische wijze en met een groot gevoel voor retoriek, beschrijft Nietzsche hoe de cultuur ten onder gaat aan de laffe en luie houding van zijn tijdgenoten die als kuddedieren leven. Het enige dat redding kan bieden, is het genie dat weet hoe het leven te leven: volmondig ja zeggen, zonder gehinderd te worden door de op angst gebaseerde moraal of religie. De mensheid heeft tot taak enkele grote mensen voort te brengen, met wie hij ook zichzelf bedoelt. Dat dit geen geval was van zelfoverschatting, blijkt onder meer uit zijn tijdloze cultuurpessimisme. De volgende passage illustreert zijn bijzondere gave over de geschiedenis heen te kijken: ”Hoe groot moet de tegenzin van de latere generaties zijn om zich bezig te houden met de nalatenschap van een periode waarin geen levende mensen, maar op openbare meningen drijvende pseudomensen het voor het zeggen hadden; zodat ons tijdperk voor een ver nageslacht misschien nog eens het duisterste en onbekendste, want onmenselijkste hoofdstuk van de geschiedenis zal worden.”(8) Zou onze huidige tijd hier ook niet voor in aanmerking komen?

Zelf heeft Nietzsche behoefte aan een ‘wegwijzer’ en ‘tuchtmeester’. Geen poseur, maar iemand die nietsontziend eerlijk is. Hij vond zo een oneigentijds persoon in de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788–1860). Van hem leerde hij eerlijk en eenvoudig te zijn, zowel in denken als in leven. Maar er was één filosoof die hij nog hoger aansloeg, en dat was Montaigne. Nietzsche schrijft: “Dat zulk een mens geschreven heeft, daardoor is het genot van op deze aarde te leven werkelijk vergroot.”(9) Ik denk dat Nietzsche goed aanvoelde dat Montaignes ideeën, zoals zijn sceptische houding tegenover alle kennis, zijn belangstelling voor zichzelf en tegelijkertijd voor de algemene mens, zijn deïsme, zijn liefde voor vrijheid en gelijkwaardigheid — zowel tussen mensen onderling als tussen mens en dier -, en zijn voorkeur voor het ongecompliceerde leven ter voorbereiding op een goede dood, niet een dergelijke indruk zouden hebben gemaakt, zonder de nog nooit eerder vertoonde eerlijkheid waarmee hij erover schrijft. Om te eindigen in de stijl van Montaigne een Latijns citaat uit Oneigentijdse beschouwingen, waarmee Nietzsche Montaigne typeert: ”Aliis laetus, sibi sapiens.” Hij was vrolijk voor een ander en wijs voor zichzelf. (10)

— — — — — — — — — — — — — —

(1) Montaigne schreef twintig jaar aan zijn Essais. Het werk is in die periode viermaal uitgegeven in verschillende steden en steeds in een verschillende vorm. Ik gebruik de Nederlandse vertaling van Frank de Graaff, uitgegeven bij Boom in 2001, de derde druk. Hierin staat een toelichting over de verschillende versies van de Essais. Ik verwijs in het vervolg naar de Nederlandse titel, Essays.

(2) Montaigne, Essays, vert. Frank de Graaff, Uitg. Boom: Amsterdam, 2001, p. 566.

(3) Bijvoorbeeld de legendarische Orson Welles: ‘Zoals anderen lezen in de Bijbel, sla ik minstens een keer per week de Essays open en lees een paar bladzijden. Ik zoek zijn gezelschap, zo’n beetje als je uitziet naar een vriend. Een grotere vreugde ken ik niet’. Zo moet je Montaigne lezen.’’

(4) Safranski, R., Heidegger en zijn tijd, Uitg. Contact, 2002, p. 204.

(5) Vrij vertaald uit Pascals Pensées http://www.gutenberg.org/files/18269/18269-h/18269-h.htm Geraadpleegd 3 februari 2017

(6) Montaigne, Essays, vert. Frank de Graaff, Uitg. Boom: Amsterdam, 2001, p.1268.

(7) Nietzsche, F., Morgenröthe, C. G. Naumann Verlag: Leipzig, 1909, Aforisme 89.

(8) Nietzsche, Oneigentijdse beschouwingen, vert. Thomas Graftdijk, Uitg. De arbeiderspers, 2008, p. 178.

(9) Ibid. p.187.

10 Ibid. p.188.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.