De Neus

Op vijfentwintig maart heeft zich in Rotterdam een buitengewoon zonderlinge gebeurtenis voorgedaan. Kapper Bertus werd wakker en snoof de geur van ovenvers brood op. Hij ging rechtop in bed zitten en zag dat zijn vrouw versgebakken brood uit de oven haalde. “Vandaag, Debby, voor mij geen koffie,” zei Bertus. “In plaats daarvan heb ik liever een vers broodje met uitjes.”

Bertus kleedde zich aan, ging aan tafel zitten, schudde wat zout op zijn bord, pelde de uitjes en sneed het broodje doormidden. Toen hij echter eens goed keek, zag hij tot zijn verbazing iets wits zitten… het was… een neus! Bertus kon zijn ogen niet geloven — een neus, waarachtig, een echte neus! En bovendien eentje die hem maar al te bekend voorkwam! Verbijstering tekende zich af op zijn gezicht. Maar die verbijstering was nog niets vergeleken bij de woede die zich van zijn vrouw meester maakte.

“Wie heb jij z’n neus afgesneden, stomkop?” riep zij woedend uit. “Sukkel! Domkop! Ik heb het al van zo veel mensen gehoord — je trekt ze bij het scheren zo hard aan de neus dat-ie er zowat afgetrokken wordt!”

Maar Bertus zat er toch al meer dood dan levend bij. Hij had de neus herkend — hij was van niemand anders dan directeur Daaf, die hij elke woensdag en zondag een scheerbeurt gaf. Maar hoe had dat nu kunnen gebeuren?! Hij dacht koortsachtig na. Bij de gedachte dat de politie de neus bij hem kon vinden en hem ter verantwoording zou roepen, werd hij ontzettend zenuwachtig. Hij deed haastig zijn jas en laarzen aan, wikkelde de neus in een doekje en verliet het huis. Hij wilde de neus ergens ongemerkt zien kwijt te raken, maar tot zijn grote pech zag hij overal bekende mensen. Eén keer lukte het hem om de neus inderdaad te laten vallen. Maar toen wees een stadswacht van verre op het bundeltje en riep hem toe: “Hé jij daar, oprapen! Je hebt wat laten vallen!”

En dus moest Bertus de neus oprapen en weer in zijn zak steken. Stilaan werd hij overvallen door vertwijfeling. Hij besloot naar de Erasmusbrug te lopen -misschien lukte het hem wel om de neus daar in de Maas te slingeren… Zo gezegd, zo gedaan, daar gooide hij de lap met de neus stiekum in het water. Toen merkte hij tot zijn schrik aan het einde van de brug een politieagent op. Deze wenkte dat hij naar hem toe moest komen en vroeg wat hij op de brug uitgevoerd had. Bertus verbleekte… Maar de rest van dit voorval hult zich in een waas van geheimzinnigheid en hoe het verder afliep is dan ook volslagen onbekend gebleven.

Directeur Daaf werd vrij vroeg wakker. Hij trok zijn ochtendjas aan, ging naar de badkamer en keek zoals elke ochtend in de spiegel. Maar tot zijn grote verbazing zag hij dat waar voorheen zijn neus zich had bevonden… nu een volkomen platte plek zat! De danig geschrokken Daaf draaide de kraan open, maakte een washandje nat, en wreef ermee in zijn ogen — nee maar, de neus was echt verdwenen! Hij betastte de plek met zijn vingers om zich ervan te verzekeren dat hij niet droomde. Nee, dat bleek niet het geval te zijn.

Daaf kleedde zich onmiddellijk aan en ging naar de politie. Hij bekleedde de functie van directeur pas twee jaar en hij kon dat dan ook nog geen seconde uit zijn hoofd zetten; om zichzelf meer allure en aanzien te geven, noemde hij echter nooit zijn titel van directeur, maar altijd die van meester. Hij was naar Rotterdam gekomen om een baan te zoeken die bij hem paste. Bovendien was hij op zoek naar een rijke vrouw. Iedereen kan zich dan ook wel indenken in wat een vervelende situatie de meester zich bevond, toen hij op de plaats van zijn goed gevormde en normaal gesproken grote neus een uitermate idiote, vlakke, gladde plek aantrof…

Tot overmaat van ramp viel er in de hele straat geen enkele taxi te bekennen, zodat hij wel moest lopen. Diep weggedoken in zijn jas hield hij zijn zakdoek voor zijn gezicht en deed alsof hij een bloedneus had. Maar na een paar stappen bleef hij als aan de grond genageld staan: voor het volgende huis hield een auto stil, de deur zwaaide open en een man in een glimmend trainingspak sprong er licht bukkend uit en haastte zich als de weerga de trap op. Hoe groot echter was de verbazing, ja de verbijstering van Daaf, toen hij zijn eigen neus in hem herkende! Hij stond te duizelen op zijn benen, maar was vastbesloten te blijven wachten. Na twee minuten kwam de meneer, die dus zijn neus was, weer naar buiten. Hij had een met gouden ketting om en gouden ringen aan zijn handen, een trainingspak aan van een duur merk en hele hippe gymschoenen aan zijn voeten.

De arme Daaf stond op het punt zijn verstand te verliezen. Hij wist niet wat hij van zo’n zonderlinge gebeurtenis moest denken. Want hoe was het in ‘s hemelsnaam mogelijk dat zijn neus, die gisteren nog op zijn gezicht gepronkt had, nu zomaar rond kon rijden en lopen — en dan nog in trainingspak! Hij rende achter de taxi aan, die gelukkig slechts een korte rit maakte en voor de Mevlana moskee stilhield. In de bijna lege moskee vond Daaf de meneer, die dus zijn neus was, meteen terug. Hij probeerde de aandacht te trekken door te kuchen, maar de neus was in gebed verzonken en ging door met diepe buigingen in de richting van mekka.

“Beste man,” zei Daaf, terwijl hij al zijn moed verzamelde, “geachte meneer…”

“Wat mot je?” vroeg de neus zich naar hem toe kerend.

“Ik vind het heel raar, … Het lijkt me… U moet weten waar u thuishoort. Maar waar vind ik u plotsklaps? In de Moskee! U zult toch moeten toegeven…”

“Sorry”, zei de neus, maar ik weet absoluut niet waar u het over hebt. Waar bazel je over?”

“Geachte meneer…” vervolgde Daaf moed vattend, “de hele kwestie is zo klaar als een klontje, lijkt me… U bent toch zeker mijn eigen neus!”

De meneer, die dus de neus was, keek de meester met gefronste wenkbrauwen aan. “U vergist zich, meneer. Ik sta geheel op eigen benen. Wij worden geen vrienden, jij en ik. Jij weet toch zelluf?” Na deze woorden wendde de meneer, die dus de neus was, zich van Daaf af en verzonk weer in gebed.

Daaf was helemaal van streek; hij wist niet wat hij nu moest beginnen, wat hij ervan moest denken. Op dat ogenblik hoorde hij achter zich het lieftallig ruisen van een damesjurk. Hij wou zich omdraaien, maar bleef opeens stokstijf staan — hij had immers helemaal geen neus op zijn gezicht! Wanhopig keerde hij zich weer om — maar nu was zijn neus spoorloos verdwenen! Daaf werd diep wanhopig. Wat moest hij doen? Misschien dan toch naar de politie gaan? Hij ging, zijn gezicht verborgen houdend, op weg.

Maar toen hij op het bureau kwam, was de commissaris net vertrokken. Wat nu? Een advertentie in de krant plaatsen? Een oproep of Facebook? Dat zou de zaak nog vervelender voor hem maken!

Vertwijfeld liep Daaf naar huis. Daar gaf hij zich opnieuw aan gepieker over. Was hij dan misschien behekst? In zijn overpeinzingen werd hij gestoord door een lichtschijnsel, dat langs de kieren van de deur naar binnen viel. Toen vroeg een onbekende stem: “Woont hier niet directeur Daaf?”

“Komt u binnen. Ik ben thuis,” zei Daaf. Hij sprong haastig op en opende de deur.

Een politieagent met bolle wangen en een oorbel kwam binnen. Het was de agent die aan het begin van het verhaal bij de Erasmusbrug had gestaan. Nu kwam hij de directeur vertellen dat de neus teruggevonden was. “Echt waar?” riep meester Daaf uit. Overmand door blijdschap bleef hij haast in zijn woorden steken. “En op welke manier dan?”

“Door een bijzonder toeval. Hij stapte net op de trein naar Amsterdam. Hij had al een OV-chipkaart gekocht en ingecheckt. En vreemd genoeg hield ik hem zelf aanvankelijk voor een mens.”

Daaf was buiten zichzelf. “Waar is hij dan? Waar?! Ik wil direct naar hem toe!”

“Maakt u zich maar geen zorgen. Ik heb hem meteen meegebracht. En weet u wat er zo gek aan is? Dat de voornaamste dader in het hele geval die schurk van een kapper is; hij wordt inmiddels vastgehouden op het politiebureau. Uw neus is overigens precies zoals hij was.” Bij deze woorden graaide de politieagent in zijn zak en haalde de in papier gewikkelde neus tevoorschijn. “Waarachtig, hij is het!” gilde Daaf. “Echt man — mijn neus! Wil je een biertje met me drinken?”

“Dat zou ik graag doen, maar helaas is het volstrekt onmogelijk voor mij — ik moet van hier uit nog snel naar de gevangenis rijden. Hoe duur overigens alle levensmiddelen in de supermarkt tegenwoordig geworden zijn! Mijn schoonmoeder woont bij ons in en ook al mijn kinderen nog…” Daaf had de hint al begrepen. Hij pakte een biljet van tien euro en drukte het de politieagent in de hand. Deze knipoogde en verdween.

Enkele minuten verkeerde de directeur nog steeds in een verheugd-verdwaasde stemming en pas daarna was hij weer in staat om te zien en te voelen. Hij nam de teruggevonden neus voorzichtig in zijn beide handen en, bekeek hem nog eens aandachtig. “Waarachtig, hij is het, hij is het echt!” bleef hij maar herhalen. Hij drukte hem voorzichtig in het midden van zijn gezicht. Maar de neus wilde niet blijven zitten. Hij drukte steviger. De neus bleef een zelfstandig geval. Hij maakte de achterkant vochtig met spuug, smeerde er lijm op, maar de neus wilde gewoonweg niet blijven plakken. Paniek maakte zich meester van directeur Daaf. Hij belde de dokter, die vlak bij woonde en de mooiste woning van iedereen had, en vroeg hem om te komen.

De dokter was een rijzige man met een hele mooie baard — maar ook hij kon in dit geval niets anders dan “hum! hum!” mompelen en wist er geen medicijn voor. Daarop stelde hij de directeur voor de neus van hem over te kopen, zodat hij hem in een glazen pot kon stoppen en tentoon kon stellen in het Natuurhistorisch Museum.

“Nee, nee! Ik verkoop hem niet, onder geen beding,” riep de schooldirecteur wanhopig uit. “Dan had ik nog liever dat-ie naar de maan ophoepelde!”

Ondertussen had het gerucht van de vreemde geschiedenis zich door de hele stad verspreid en -zoals dat gebruikelijk is — werd het verhaal aardig aangedikt. In deze tijd worden verhalen toch al snel verdraaid» Al heel snel begon men het praatje rond te strooien dat de neus van directeur Daaf dagelijks, om klokslag drie uur, ging wandelen op de Coolsingel! En dus stroomden daar elke dag drommen nieuwsgierige mensen toe.

Zeer vergenoegd over al deze gebeurtenissen waren ook de straatkrantverkopers, die op overal bij de ingangen van supermarkten mensen aan het lachen maakte met dit verhaal.

Wat leven we toch in een bizarre wereld tegenwoordig. Ja toch? Er gebeuren dagelijks dingen die helemaal niet meer te geloven zijn! 
Plots verschijnt de neus, die als een burgemeester door de stad rondgereden had en zoveel opschudding veroorzaakt had, weer tussen de beide wangen van directeur Daaf alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Dat gebeurde op zeven april.

Hij werd wakker, wierp een blik in de spiegel — en zag de neus! Hij greep er met zijn hand naar — nou en of, de neus! “Joehoe!” riep Daaf, en het liefst had hij, blootsvoets als hij was, van pure vreugde een rondedans gemaakt.

Juist op dat ogenblik stak kapper Bertus zijn neus om de hoek van de deur, zo schuw als een poes die net een schop heeft gekregen voor het stelen van een stukje vlees. Daaf nam plaats. Bertus deed hem een kappersschort om en zeepte hem in.

“Kijk eens aan!” zei Bertus bij zichzelf, terwijl hij de neus bestudeerde. Hij draaide het hoofd de andere kant op en bekeek het in profiel. Nee maar, waarachtig, hoe is het mogelijk! Wanneer je bedenkt… zo redeneerde hij bij zichzelf verder, aldoor naar de neus starend. Uiteindelijk pakte hij aarzelend en met de grootst voorzichtigheid met twee vingers het puntje van de neus beet. Dat was nu eenmaal zijn werkwijze. “Hé, hé, wel uitkijken, hé!” riep Daaf.

Dat was het einde van dit rare verhaal, dat zich in onze stad aan de Maas heeft voorgedaan! En toch en hoewel je natuurlijk mag aannemen dat zowel het een als het ander, misschien ook een derde, ja misschien zelfs… Maar waar in de wereld vind je nu geen rare dingen! En toch zit er, als je er goed over nadenkt, wel iets in. Wat je er ook van wil zeggen, dit soort dingen komen voor; niet vaak natuurlijk, maar voorkomen dóen ze.