Ik weet niet wat ik wil, ik weet wel wat ik niet wil. Dit, dit ellendige ge-jojo tussen zekerheid en onzekerheid, het oneindige snakken naar haar, altijd zij die onbereikbaar is. Ik wou erover praten, lang, het erover hebben, zeggen wat ik voel, wat ik denk. Weg uit het status quo, ingaan op mijn impulsieve drang om mezelf weer
eens, hoofd eerst, tegen een muur aan te rijden waarvan ik op 5 km afstand al zag dat hij er stond.

Kapot, de enige moment dat ik nog eens iets voel. Er zijn geen woorden om uit te drukken juist hoe groot mijn vernielingsdrang is. Ik wil het uitschreeuwen, mijn vlees van mijn botten scheuren, ik wil dat er, eens ik klaar ben, nog maar een uiteengereten karkas van me te vinden is, onherkenbaar, anoniem. 
Niet meer lui, niet meer slim, niet meer vol onbenut potentieel, niets, vergeten door de wereld. Rust.

Rust die ik nooit kan vinden, zelf niet in rust. De personen die het dichtst tegen me staan zouden zeggen dat ik zeker genoeg rust heb, veel vrije tijd. Over het algemeen gelukkig, blij, niet altijd natuurlijk, maar ach, iedereen heeft wel eens een mindere dag.
Alleen schuilt er achter die horizon van de perfect opgetrokken facade een tyfoon van epische proporties. Altijd woeden blazend, met zijn hevige winden eeuwig wegvagend wat ik opbouw. En op de momenten dat het stopt met waaien en ik even ademruimte krijg, even normaal ben, het besef dat dit het oog van de storm is.

Wetende dat de hel nog voor je ligt, hoe ga je verder? Waarom geef ik niet toe? Laat ik me niet meesleuren? Wie weet waar die wind me brengt.