Dilettantisme tiert welig in de politiek

Niet lang geleden had ik het naïeve idee dat politiek het summum was van de maatschappelijke verandering. Zij had de verkozen leiders en zij kon de maatschappij in een richting sturen. Dankzij mijn persoonlijke ervaringen werd ik wakker geschud uit deze droom. In die droom geloofde ik dat de politiek een innoverende taak had. Een illusie. Wat ik zojuist schreef is natuurlijk geen openbaring. Het is moeilijk om vandaag iemand te vinden die niet aan ‘politiek-bashen’ doet. Onlangs twitterde Rik Torfs (die deze week de handdoek in de ring smeet) nog: “Politiek gaat over incidenten, niet over ideeën. Zelfs een grondig debat over het geslacht der engelen zou een verademing zijn”. Een correcte analyse, maar waarom? Een verklaring vinden waarom de politiek met zoveel problemen te kampen heeft is zeldzaam. Nochtans, een kijk naar de ‘public choice’-theorie zou heel wat verklaren.

Het is namelijk de public choice die ons aantoont dat er bijzonder veel raakvlakken zijn tussen de politieke en economische werking. Politiek werkt eigenlijk op eenzelfde manier als een reguliere markt. Kiezers (‘consumenten’) hebben vraag naar een beleid (het ‘goed), dat verzorgd wordt door politici (‘producenten’). De kiezers betalen de politici niet met geld maar met hun stem. Politici ‘kopen’ dus stemmen door voordelen aan kiezers te bieden. Het is deze vaststelling waarbij er een aantal problemen zijn die inherent verbonden zijn aan de politieke werking. Door een kennis van deze problemen, kunnen we dan ook heel wat verzuchtingen (zoals die van Rik Torfs) plaatsen.

Verkiezingen

Nog zo een bekende verzuchting die men vaak te horen krijgt: “Politici zijn enkel geïnteresseerd in de burgers als er verkiezingen zijn. Dan komen ze op elke activiteit en zullen ze quasi alles doen wat je van ze vraagt”. Opnieuw een correcte analyse, maar de achterliggende dynamiek is vaak ongeweten. Als we de basisassumptie nemen van de public choice dat de politiek zoals een markt werkt, dan weten we ook dat er binnen deze markt een zekere vorm van concurrentie bestaat. In een representatieve democratie zijn de competitieve momenten echter in beginsel beperkt tot verkiezingen die om de vier, vijf of zes jaar plaatsvinden. Stel je maar eens een economische markt voor waarop er een vijftal firma’s operationeel zijn die elk een vast pakket van goederen of diensten aanbieden. Om de vier jaar mogen de consumenten kiezen welk pakket ze voor de volgende vier jaar verkiezen. Weinig consumenten zouden tevreden zijn met een dergelijke marktstructuur.

De ambities en programma’s van politieke partijen bestrijken meestal het gehele probleemveld in de samenleving en komen bijgevolg neer op een combinatie van allerlei politieke standpunten. Dit is het ‘multiple issue’-karakter. Het kan er echter voor zorgen dat bepaalde standpunten, waarvoor er een duidelijke meerderheid bij de bevolking bestaat, politiek niet kunnen worden gerealiseerd. Nemen we bijvoorbeeld de belangrijkste ‘issues’ in de Belgische politiek: (1) De sociaal-economische ordening (een liberale vrije markteconomie versus een collectivistische planeconomie); (2) De ethische problematiek (ethisch-libertijns vs. ethisch conservatief); (3) De staatkundige problematiek (separatistisch vs. unitaristisch); (4) De culturele problematiek (multiculturistisch vs. identitair). De politieke partijen combineren in hun programma’s posities op deze vier politieke assen.

Stel dat op de eerste as (liberaal vs. collectivistisch) 60% van de bevolking zich liberaal opstelt en hervormingen in die zin wil. In een één probleemveld zou dit in een democratie ook effectief gebeuren. Het is echter mogelijk dat politieke partijen een meerderheid vormen op andere ‘issues’ waardoor de liberale meerderheid ineffectief wordt. Stel bv. dat een partij met een programma dat liberaal (as 1) combineert met ethisch-libertijns (as 2), unitaristisch (as 3) en multicultureel (as 4), een coalitie sluit met een tweede partij die op as 2, 3, 4 dezelfde standpunten inneemt maar op as 1 collectivistisch is. Beide partijen zullen in het regeerakkoord overeenkomen dat zij vooral hervormingen zullen doorvoeren op in ethisch-liertijnse, unitaristische en multi-culturalistische zin. Op die vlakken komen zij immers overeen. Voor de sociaal-economische ordening wordt de status-quo afgesproken. Hierdoor wordt de liberale meerderheid (as 1) bij de bevolking volkomen lamgelegd.

Rationele onwetendheid

De goede werking van een democratie is sterk afhankelijk van goed geïnformeerde burgers. Nochtans is het frappant hoe weinig kiezers in een democratie goed geïnformeerd zijn. Vele mensen kunnen bijvoorbeeld het onderscheid niet maken tussen federale, lokale of regionale verkiezingen. Nochtans maakt het voor de kiezers een verschil of er een ‘goed’ of ‘slecht’ beleid wordt gevoerd. Hoe kan men dit verschijnsel verklaren? Er is sprake van een rationele onwetendheid. Het kost zeer veel tijd om zich goed te informeren over alle politieke onderwerpen. Een modelkiezer moet zowat zijn gehele vrije tijd opofferen aan het lezen van politieke lectuur. Nochtans heeft één stem weinig invloed op de uiteindelijke uitslag. De kans dat het op die ene stem aankomt, is bijzonder gering.

Kiezers weten dan ook dat er weinig individuele voordelen verbonden zijn aan het goed geïnformeerd zijn. Daarom is het een rationale beslissing om niet geïnformeerd te zijn. Het geheel — de democratie — wordt er echter irrationeel door. Het wordt geregeerd door kiezers die niet weten waarover het gaat. Deze vaststelling zorgt er ook voor dat maatschappelijke zeer belangrijke problemen (neem bijvoorbeeld justitie) electoraal geen winst opleveren. Het vergt enorm veel moeite om deze materie te beheersen om er een rationele keuze over te maken en te kiezen voor het optimale beleid. Een politicus zal zich bijgevolg niet uitsloven om dat optimale beleid te voeren, omdat deze daarvoor geen erkenning zal krijgen.

Belangengroepen en rent-seeking

Op de politieke markt, de ontmoetingsplaats tussen de vraag en aanbod, zijn er naast de burgers en politieke partijen ook nog andere spelers actief. In moderne democratieën vormen belangengroepen, ook nog drukkingsgroepen genoemd, een zeer belangrijke categorie van spelers (vakbonden, boerenorganisaties, milieuorganisaties die ijveren voor natuurbehoud, etc…). Dikwijls slagen belangengroepen erin met behulp van bevriende politici wettelijke privileges te bekomen, waardoor hun positie stevig wordt gebetonneerd (zoals de overheidssubsidiering van de syndicale lidmaatschapsbijdragen, de sociale partners bij het sociale overleg, etc…).

Bij de uitbouw van de Europese Unie waren bijvoorbeeld alleen maar de boerenorganisaties effectief georganiseerd op Europees niveau. Zij zijn er dan ook in geslaagd enorme subsidies los te weken die nog steeds een zeer groot deel van het Europese budget in beslag nemen. De andere belangengroepen waren niet klaar voor de nieuwe institutionele omgeving die de EU betekende. Dit heeft ervoor gezorgd dat in de jaren 80 en 90 een relatief vrije interne markt kon ontwikkeld worden die de Europese groei sterk stimuleerde. Geleidelijk aan geraken de meeste drukkingsgroepen effectief Europees georganiseerd, zodat een einde zal komen aan het liberaliserende Europa.

De invloed van belangengroepen leidt tot een inefficiënt hoog niveau van regulering en herverdeling. Tussen verkiezingen heen zijn belangengroepen voor politici het enige kanaal om met de bevolking contact te houden. Belangengroepen zijn bijgevolg te omschrijven als stemmenleveranciers voor politici. In ruil voor deze steun vragen de belangengroepen politieke steun voor regulering en herverdeling die de positie van de belangengroep versterkt. De maatregelen, die het gevolg zijn van de politieke druk van belangengroepen, leiden vaak tot een enorme verspilling van middelen. De samenleving wordt hierdoor dubbel verarmd. Enerzijds door inefficiënte regulering en herverdeling, anderzijds door bedragen verspilt aan het lobbywerk zelf.

Nadelen van de gewone meerderheidsregel

In een democratie beslist de gewone meerderheid. Is wat de meerderheid wil in het algemeen belang? Vaak niet. Het gebeurt regelmatig dat een beleid een beetje voordelig is voor de meerderheid, maar heel sterk nadelig is voor de minderheid. In een democratie heeft iedereen één stem. Het nadeel van dit principe is dat de intensiteit van de preferenties niet tot uitdrukking worden gebracht. De kiezer kan niet uitdrukken hoe sterk hij voor of tegen een bepaald voorstel is. Hij kan alleen zeggen of hij voor of tegen is. Als gevolg daarvan is het mogelijk dat zogenaamde ‘gemotiveerde’ minderheden ‘onderdrukt’ worden. Een stemming bij meerderheid kan dus hoogstens een ‘second best’-oplossing zijn.

Bovenstaande zaken zijn ontnuchterende, maar zeker geen onbelangrijke lessen. Ze moeten zorgen voor een kritische reflex bij het overheidsapparaat en de politieke werking. Niet alleen is een louter kritische reflex voldoende. Ze moet ook onderbouwd worden zodat de onderliggende dynamiek naar boven kan komen om zodanig concrete oplossingen aan te rijken. Die concrete oplossingen vinden zal bijgevolg de volgende uitdaging zijn.