Basisinkomen geen kwestie van geloof meer

Foto: Filipe Garcia via Flickr

Op de dag van de Zwitserse Volksabstimmung over de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen is het goed om te constateren dat de discussie over dit onderwerp een stuk verder is dan pakweg drie jaar geleden, toen de Zwitserse initiatiefnemers de benodigde handtekeningen ophaalden en het onderwerp in Europa en de Verenigde Staten terug op de agenda begon te komen. De Zwitsers gaan het voorstel vandaag niet aannemen, en ook in Nederland willen nog maar weinig politici zich aan het basisinkomen branden. Het is te groot, te onoverzichtelijk en te omstreden; in een eerder artikel legde ik dat al eens uit. Het wordt zo langzamerhand tijd voor een volgende stap.

Er zijn veel argumenten voor een basisinkomen: rechtvaardigheid, de komst van de robots, armoedebestrijding, emancipatie. Over sommige daarvan kun je twisten en voor sommige zijn betere oplossingen denkbaar. Er zijn echter twee serieuze sociaal-economische problemen waarvoor ik geen ander antwoord ken dan het basisinkomen: de bijstandsval en het precariaat.

De bijstandsval (Engels: welfare trap, in het Nederlands meestal onnauwkeurig: armoedeval) is het verschijnsel dat iemand die in de bijstand komt, nauwelijks mogelijkheden heeft om zijn positie te verbeteren. Een baantje nemen, goedkoper gaan wonen, een erfenisje of andere meevaller: alles wordt verrekend. De enige uitweg is een voltijds baan vinden. Maar met elke maand dat je in de bijstand zit nemen je kansen daarop af. Heb je een basisinkomen voor iedereen nodig om dat op te lossen? Kan dat niet simpeler? Nee, dat kan niet simpeler. Milton Friedman legt dat hier uit:

(Ja, Friedman heeft het over een negatieve inkomstenbelasting, niet over een basisinkomen, maar dat is materieel hetzelfde.)

Het precariaat is de naam die Guy Standing heeft gegeven aan de nieuwe klasse van zzp’ers en flexwerkers, die in de huidige sociale zekerheid vrijwel rechteloos zijn. Geen ww, geen ziektewet, geen wia en zelfs de toegang tot de bijstand is lastig als je wisselende inkomsten hebt. Het antwoord van de regering hierop is “echte banen”: al dat flexibele volk moet gewoon ergens op de loonlijst. Dat is echter niet waar werkgevers op zitten te wachten; die hebben wel degelijk behoefte aan ondernemerschap en flexibiliteit. En dat kan ook best, maar tegenover al die flexibiliteit moet wel een basiszekerheid staan, anders worden mensen ziek en ongelukkig. Een onvoorwaardelijk basisinkomen is de basis van een sociaal en fiscaal stelsel dat past bij een economie die een stuk dynamischer en onvoorspelbaarder is dan we in de vorige eeuw gewend waren.

En waarom zouden we het niet doen? Wat is er op tegen?

Eigenlijk niets. Als we de afgelopen drie jaar iets geleerd hebben, dan is het dat er eigenlijk geen argumenten tegen het basisinkomen zijn, behalve morele argumenten. Alle feitelijke argumenten zijn immers te herleiden tot “het is onbetaalbaar” en “dan stopt iedereen met werken en stort de economie in elkaar”. Het eerste is overduidelijk onwaar, en voor het tweede is in geen van de empirische studies enig bewijs gevonden.

Het basisinkomen is onbetaalbaar. Een basisinkomen is “genoeg om volwaardig van te leven”. Als je zegt dat we dat in Nederland niet kunnen betalen, zeg je dus dat we met elkaar niet genoeg verdienen om iedereen volwaardig van te laten leven. Dat lijkt me overduidelijk onjuist. Ook als je gaat rekenen kun je alleen maar tot de conclusie komen dat het juist wel betaalbaar is. The Economist rekende voor alle OESO-landen uit welk bedrag ze per volwassene zouden kunnen uitkeren als ze alle bestaande inkomensoverdrachten zouden schrappen. Voor Nederland is dit € 700 per maand. Nu zou dit een hele ruwe en domme implementatie zijn van een basisinkomen, maar € 700 is wel ongeveer de helft van het sociaal minimum voor een (echt)paar, dus qua bedragen kom je al aardig in de buurt zonder ook maar één belastingtarief te verhogen. Kortom, natuurlijk hebben we het geld, het is puur een verdelingsvraagstuk.

Iedereen stopt met werken. Want waarom zou je nog werken als je toch gratis geld krijgt? Dit is waarschijnlijk het meest onderzochte effect van een basisinkomen, want het is heel belangrijk. Als het waar is, is een basisinkomen aanvankelijk wel betaalbaar, maar al snel niet meer. Maar het is niet waar. Althans, elk empirisch onderzoek laat hetzelfde zien: er wordt niet minder gewerkt. Zoals Scott Santens schrijft in de Huffington Post:

“We have studied the work disincentive effects in the US and in Canada in the 1970s where the results were quite interesting. Fully universal basic incomes have been tested in Namibia and India, where the results of both were more work, not less. The charity Give Directly has given basic incomes to people in Uganda and Kenya, where the results in both locations were more work, not less. Unconditional cash transfers are being used more frequently all over the world entirely because of their successes, and in places like Liberia and Lebanon where they ended up being like basic incomes, they too show more work, not less.”

Ja, er zijn mensen die minder gaan werken. Meestal worden de vrijkomende uren overigens niet verluierd, maar besteed aan zorgtaken of studie. Maar er zijn ook mensen die voor zichzelf beginnen, of die switchen naar een baan die slechter betaalt, maar meer voldoening geeft. Netto neemt het aantal gewerkte uren niet af.

De overige argumenten van de tegenstanders zijn moreel van aard. Of eigenlijk is het er maar één:

Een mens hoort te werken voor zijn geld. Want ledigheid is des duivels oorkussen, en nog een paar oudtestamentische teksten van die strekking. The Economist meent dat wanneer werkloosheid geen schande meer is “large segments of society could drift into an alienated idleness. Tensions between those who continue to work and pay taxes and those opting out weaken the current system; under a basic income, they could rip the welfare state apart”. Nog afgezien van het feit dat mensen helemaal niet stoppen met werken (zie het vorige punt), is dit, het spijt me het te moeten zeggen, een typische economenopmerking. Er is betaald werk, en er is “alienated idleness”, en verder niets. Vrijwilligerswerk, mantelzorg, kinderen opvoeden — dat bestaat niet of heeft in ieder geval geen waarde. Onzin dus. En wat die solidariteit betreft: met een basisinkomen heeft iemand die veertig uur per week betaald werkt het altijd een stuk beter dan iemand die geen betaald werk doet. In het huidige systeem is er in de buurt van het minimumloon netto nauwelijks of geen verschil tussen beiden. Dát is pas fnuikend voor de solidariteit.

De logica en de feiten staan aan de kant van de voorstanders. Het zijn juist de tegenstanders die ideologisch gemotiveerd zijn. Of, zoals een VVD-politica ooit tegen me zei: “Kan me niet schelen wat er uit die experimenten komt. Ik ben toch tegen.”

Dus het lijkt me dat de bal zo langzamerhand bij de tegenstanders van het basisinkomen ligt. Het basisinkomen is een serieuze oplossing voor twee belangrijke problemen, de bijstandsval en het precariaat, waarop het huidige stelsel geen antwoord heeft. Als je het basisinkomen moreel verwerpelijk vindt, wat gaan we dan doen? Blijven geloven dat er anderhalf miljoen “echte banen” bijkomen om al die bijstandsgerechtigden, flexwerkers en zzp’ers in te laten verdwijnen, lijkt me niet het goede antwoord. Kom uit je ideologische loopgraven en ga eindelijk eens serieus het gesprek aan.

Ronald Mulder is secretaris van MIES en initiatiefnemer van OnsBasisinkomen.