Laten we eens ophouden over dat basisinkomen


Het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen is een van de beste ideeën ooit. Het zou een paar belangrijke economische en sociale problemen oplossen en het zou de sociale zekerheid toekomstbestendig maken. Helaas is het ook een van de slechtste verhalen ooit. Het verhaal lijkt zo frontaal in te gaan tegen een aantal diep verankerde normen en waarden, dat veel mensen hun oordeel al klaar hebben lang voordat ze de werkelijke implicaties van het idee tot zich hebben laten doordringen. Bovendien: zo eenvoudig als het idee is, zo moeilijk is de uitwerking. In plaats van praten over de exacte bestemming kunnen we beter beginnen de goede kant op te bewegen.


Het lever-effect

Sinds een kleine anderhalf jaar ben ik, met anderen, bezig Nederland rijp te maken voor experimenten met een onvoorwaardelijk basisinkomen. In dat anderhalf jaar heb ik heel vaak te horen gekregen dat ik een hippie, een communist, een uitvreter en een luilak ben, die gedreven wordt door afgunst en naïef idealisme. Overigens heb ik bijna net zo vaak te horen gekregen dat ik een vazal ben van de elite en het grootkapitaal, dat ik de transitie naar een eerlijke en duurzame samenleving wil blokkeren en dat ik de arbeiders wil degraderen tot knechten van de staat. En gelukkig heb ik ook heel veel mensen horen zeggen dat dat een heel goed idee is, dat basisinkomen.

Wat ik bijna nooit heb gehoord is: “Basisinkomen? Daar heb ik eigenlijk geen mening over.” Het basisinkomen heeft wat in mijn familie het lever-effect heet. Je houdt ervan of je haat het, een middenpositie is er niet. En wat me ook is opgevallen: zowel onder de de voor- als de tegenstanders bevinden zich mensen met een heel merkwaardig beeld van een basisinkomen. Veel mensen hebben een hele uitgesproken mening over iets waar ze zich eigenlijk niet zo goed in verdiept hebben. Dat gaat nog een stapje verder dan het lever-effect.

Bedrieglijk eenvoudig

Het onvoorwaardelijk basisinkomen is een eenvoudig en helder idee. Je kunt het in één zin uitleggen. Iedereen krijgt maandelijks een bedrag dat voldoende is om sober van te leven, zonder dat daar een verplichting tegenover staat en ongeacht zijn inkomen, vermogen of de samenstelling van zijn huishouden. Dat moet iedereen toch kunnen begrijpen, zou je zeggen. Maar nee: “We hebben in Nederland al een basisinkomen. Dat heet de bijstand.” Tja. Lees de definitie van basisinkomen, zoek voor de zekerheid ook nog even “bijstand” op op Wikipedia en vergelijk de twee, zou ik zeggen. Maar zo ver komen veel mensen niet. Iets in het verhaal maakt dat ze zijn opgehouden met luisteren en dat ze hun mening al klaar hebben.

Het nadeel van de korte en krachtige formulering is voorts dat mensen van alles er omheen zelf gaan invullen. Of juist weglaten. Zo zijn er mensen die lijken te denken dat alle salarissen worden afgeschaft: “Dus iedereen krijgt hetzelfde? Dat werkte in de Sovjet-Unie ook zo lekker.” Nee, een basisinkomen, het woord zegt het al een beetje, is de basis van je inkomen. Daar bovenop kun je meer verdienen, bijvoorbeeld door te werken.

Een vaker voorkomend misverstand is dat het basisinkomen bovenop alle bestaande systemen komt, dus dat er verder niets wijzigt: “Alle Nederlanders tussen de 18 en 65 een basisinkomen geven van € 1000 per maand kost € 120 miljard. Dat is onbetaalbaar.” Nee, een basisinkomen vervangt de bestaande uitkeringen, toeslagen, heffingskortingen en aftrekposten. Je krijgt een heel nieuw systeem van belastingen en sociale zekerheid. Je kunt er voor kiezen om zo’n nieuw systeem budgettair neutraal in te voeren, maar je zou ook kunnen verdedigen dat het iets mag kosten, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat een basisinkomen besparingen oplevert op andere begrotingshoofdstukken: zorg, welzijn en justitie. En zo zijn er meer keuzes te maken. Je kunt er voor kiezen om de financiering helemaal uit de inkomstenbelasting te doen, dat levert een vrij hoog tarief op, maar je kunt er ook voor kiezen om een groter deel van de belastingopbrengst uit omzetbelasting en/of vermogensbelasting en/of belastingen op grondstoffen te halen. Hoe dan ook, betaalbaar is het zeker. € 120 miljard is veel geld, maar ons nationaal inkomen ligt in de buurt van de € 600 miljard. We hebben het geld; het is puur een verdelingsvraagstuk. En hoe die verdeling uitpakt hangt helemaal af van hoe je het basisinkomen precies inricht en financiert. Dit alles betekent ook: het idee is dan wel eenvoudig, maar de uitwerking allerminst. De eenvoud is bedrieglijk.

Twee valkuilen

De bedrieglijke eenvoud van het idee levert, zo heb ik gemerkt, twee valkuilen op die eigenlijk niet te omzeilen zijn in een gesprek over het basisinkomen.

De eerste valkuil is de allergische reactie. De eerste paar woorden van de beschrijving van het idee van het basisinkomen, “iedereen krijgt”, zijn voldoende om een groot aantal mensen in de gordijnen te krijgen. “Hoezo krijgen? Werken voor je geld!” roept rechts. En links: “Hoezo iedereen? Waarom zouden we de rijken geld geven?” Daarmee zitten de oren vervolgens dicht en is het denken geblokkeerd. Het nog kortere verhaal, “gratis geld voor iedereen”, is wat dat betreft nog erger. Uitleggen helpt niet, net zoals je atheïsten niet in het hiernamaals kunt laten geloven door het beter te beschrijven. Je zult het moeten laten zien. Dat is ook de reden dat ik me inzet om experimenten van de grond te krijgen.

De tweede valkuil is die van de duivelse details. De beste manier om het basisinkomen voor de komende tien jaar van de politieke agenda te houden is tegen de voorstanders te zeggen: “Goed idee! Zodra jullie met een uitgewerkt voorstel komen, voeren we het de volgende dag in.” Het idee is zo groot en zo veelomvattend, en de voorstanders zijn zo divers, dat er geen sprake kan zijn van een breed gedragen blauwdruk. Anders gezegd: elke specifieke uitwerking leidt tot zulke grote herverdeeleffecten (groepen die er tientallen procenten op voor- of achteruit gaan) dat dit in het Nederlandse politieke bestel onhaalbaar is.

De valkuilen zijn breed en diep. Dus hoe goed het idee ook is, ik geloof niet dat het ongeschonden de overkant haalt. Ik geloof niet dat er op een dag in Nederland een meerderheid is voor zo’n radicale verandering.

Maar het roer moet wel om

Tegelijk wordt steeds duidelijker dat het huidige sociale en fiscale stelsel kraakt in al zijn voegen. Het is grotendeels opgehangen aan het uitgangspunt dat een groot deel van de bevolking een stabiele baan heeft die voldoende oplevert om een huishouden mee draaiend te houden en ook nog wat aan de belastingdienst af te dragen. De globalisering, de technologische ontwikkelingen en niet te vergeten de demografische trends hebben dat uitgangspunt behoorlijk aangetast; de basis van ons sociale en fiscale stelsel wordt smaller en smaller. Om het betaalbaar te houden wordt er al decennialang geschaafd en gerepareerd en weer geschaafd en gerepareerd.

Het resultaat is een stelsel waarin negentig procent van de huishoudens maandelijks geld krijgt van de overheid in de vorm van een toeslag, uitkering of voorlopige teruggave. Een stelsel waarin twintig procent van de actieve beroepsbevolking, namelijk ongeveer 750.000 zzp’ers en ongeveer evenveel flexwerkers, nauwelijks bediend worden. Een stelsel waar “aan de onderkant” mensen nauwelijks mogelijkheden meer hebben om hun situatie te verbeteren: gaan samenwonen, een krantenwijk nemen, een slaapkamer aan een student verhuren — als je een uitkering hebt is het óf verboden, óf je kunt het verdiende geld direct weer inleveren. Een stelsel, ten slotte, waarin dwang, repressie en wantrouwen een steeds grotere rol spelen en waarin tegelijk geen enkele garantie is dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft (en ook niet meer dan dat).

Dát is uiteindelijk de reden om na te denken over een onvoorwaardelijk basisinkomen. Niet als armoedebestrijding, niet als inkomensherverdeling en niet als werkgelegenheidsmaatregel. Daar zijn efficiëntere maatregelen voor te verzinnen. Ook niet omdat het zo lekker simpel en efficiënt is en het een heleboel ambtenarij scheelt. Dat is allemaal bijvangst. Het basisinkomen is een aantrekkelijk idee als belangrijke bouwsteen van een toekomstbestendig sociaal en fiscaal stelsel, een stelsel met een focus op arbeid (betaald en onbetaald) in plaats van banen.

Een toekomstbestendig stelsel

Er zijn wat mij betreft drie eigenschappen die een onvoorwaardelijk basisinkomen, of een negatieve inkomstenbelasting zo u wilt, bijzonder interessant maken als hoeksteen van een toekomstbestendig sociaal en fiscaal stelsel.

De eerste eigenschap is dat het mensen keuzevrijheid biedt. Iedereen heeft de mogelijkheid om studieverlof te nemen, of zorgverlof, of een sabbatical, zonder dat hij honger hoeft te lijden. De drempel om voor jezelf te beginnen wordt met een basisinkomen een stuk lager; de (financiële) onzekerheid wordt immers kleiner. Maar ook de onderhandelingspositie van werknemers verbetert hierdoor: met name voor onaangenaam werk zal beter betaald moeten worden. En, heel belangrijk, werk dat nu onbetaald is krijgt met een basisinkomen een impliciete beloning. Kortom, de mogelijkheden om in vrijheid te kiezen om te doen wat je zelf waardevol en belangrijk vindt nemen toe, en dat is vooruitgang.

De tweede is dat het mensen in staat stelt om zelf hun situatie te verbeteren. Een basisinkomen is “voldoende om sober van te leven”; geen vetpot dus. Maar het is onvoorwaardelijk; je mag al je creativiteit en al je andere talenten aanwenden om je inkomen aan te vullen. Bijna iedereen heeft wel enige verdiencapaciteit. In het huidige stelsel kun je, als je in de bijstand zit, je situatie alleen verbeteren door een voltijds baan te vinden. Met een basisinkomen loont het ook om kleine baantjes of losse klussen aan te nemen: werken loont altijd. Daarnaast kun je je situatie verbeteren door samen te gaan wonen, een kamer te verhuren of je oude moeder in huis te nemen. Doordat het basisinkomen individueel is, kosten dit soort beslissingen je niet een deel van je uitkering, toeslag of vrijstelling.

De derde eigenschap van het basisinkomen: het geeft mensen ruimte om zich om elkaar te bekommeren. Het is nu vaak moeilijk om betaald werk te combineren met zorgtaken en vrijwilligerswerk. Dat komt niet alleen door het sociaal en fiscaal stelsel, het komt door de functiescheiding die we overal in de samenleving hebben aangebracht en die door het sociaal en fiscaal stelsel wordt ondersteund. Weet u nog, die participatiesamenleving, dat idee dat burgers wat meer voor elkaar zorgen en minder wegdelegeren naar de overheid? Dat is niet zo’n heel raar idee, en in het licht van de vergrijzing misschien wel onontkoombaar, maar dan moeten er nog heel wat randvoorwaarden worden ingevuld. Een basisinkomen kan daaraan bijdragen.

Een mogelijke route

Dus, we hebben een goed en belangrijk idee, maar het gaat nooit ingevoerd worden. Het is te radicaal. Hieronder doe ik een poging om het minder radicaal te maken door het uit te smeren over kleine stapjes, gedurende een lange periode. Het is een denkrichting, geen uitgewerkt plan, dat heeft niet zo veel zin voor zo’n lange termijn.

Zzp’ers en andere ondernemers die onder de inkomstenbelasting vallen (dus niet vanuit een BV ondernemen), hebben in Nederland recht op een aantal belastingvrijstellingen. De Commissie Van Dijkhuizen, die adviseert over de herziening van het belastingstelsel, heeft berekend dat deze ondernemers over de eerste € 25.000 die ze verdienen geen belasting betalen, en dat dat de schatkist € 1,8 miljard per jaar kost. Het lijkt mij wat ruim, die € 25.000. Laten we voor de zekerheid zeggen dat die belastingvrije voet voor ondernemers € 18.000 is. Het zou € 18 miljard kosten om ook de andere Nederlanders van 18 tot en met 66 jaar oud zo’n belastingvrije voet van € 18.000 per jaar te geven. Waarom zou je dat doen? Omdat € 18.000 per jaar, of € 1.500 per maand, in Nederland een minimum-inkomen is. Het is precies het (bruto) wettelijk minimumloon, en ietsjes meer dan de bijstand voor een kostwinner. Het is onzin om op dit minimumniveau belasting te heffen; wat je binnenhaalt moet je in 99 van de 100 gevallen weer teruggeven als huur- of zorgtoeslag. Die € 18 miljard zou je kunnen financieren door de hypotheekrenteaftrek af te schaffen (circa € 10 miljard), alsmede de huur- en de zorgtoeslag (samen € 7,5 miljard).

De crux is: dit hoef je niet in één keer te doen. Desnoods doe je er 18 jaar over. Elk jaar de belastingvrije voet met € 1.000 verhogen en de kosten daarvan afknabbelen van de toeslagen en aftrekposten, zodat mensen de tijd hebben om hun situatie aan te passen.

Daarmee hebben we dan een flink deel van de rondpompmachine en van de hoge marginale tarieven op en vlak boven het minimumloon aangepakt, maar nog niets gedaan aan de armoedeval en de positie van uitkeringsgerechtigden. Sterker nog, we hebben ze stiekem hun huur- en zorgtoeslag afgepakt. Daarom zou je de belastingvrije voet refundable moeten maken, met andere woorden: een negatieve inkomstenbelasting invoeren. Verdien je minder dan de belastingvrije voet, dan krijg je het verschil maal een bepaald negatief belastingpercentage, zeg 50%, terug van de belastingdienst. Deze tax credit is helemaal onvoorwaardelijk en individueel. Als in de loop der jaren de uitkering via de fiscus toeneemt, kun je de uitkering via de sociale dienst (die wel aan allerlei voorwaarden gebonden blijft) gaan afbouwen. Na verloop van tijd zullen steeds meer uitkeringsgerechtigden die nog enige verdiencapaciteit hebben er dan voor kiezen de sociale dienst vaarwel te zeggen. Misschien blijft de sociale dienst nodig voor een soort van bijzondere bijstand voor wie helemaal geen verdiencapaciteit heeft, misschien ook niet. Dat zien we tegen die tijd wel.

Tl;dr

Het onvoorwaardelijk basisinkomen is een goed en belangrijk idee, maar dat is ook precies wat het is: een idee. Een utopie, zo u wilt. Je kunt niet serieus verwachten dat het van de ene dag op de andere ingevoerd gaat worden. Het staat te ver af van de status quo, het is te radicaal, het is een te grote sprong. Dat verandert niet door erover te discussiëren. Integendeel. Tegenstanders overtuig je er niet mee: zij geloven er gewoon niet in. En voorstanders blijken het op belangrijke details helemaal niet met elkaar eens te zijn. Je moet het laten zien. Met experimenten, met pilots, en door een route in te slaan die ongeveer de goede kant opgaat en die zowel de overheid als de burger voldoende tijd geeft om zich aan te passen aan wat er gebeurt.

Ronald Mulder is, behalve ondernemer en econoom, ook mede-initiatiefnemer van MIES en Ons Basisinkomen.