Levensgeschiedenis en Lotgevallen van een oud-Zeeman uit Harlingen.
VIII.
Nadat ik een poosje aan wal was gebleven om mijn vaders binnenkomst af te wachten, maar wiens terugkomst te lang aanhield, werd mij een plaats aangeboden als lichtmatroos en nu met ‘n goede gage a.b. van een flink schip bestemd voor Messina op het eiland Sicilië in de Middellandsche Zee. Ik trof het; meest allen jonge menschen en onze reis tot Gibraltar en in de Middellandsche Zee ging naar wensch tot de losplaats Messina, waar wij onze lading suiker kwijt geraakten. Daar kregen we order voor Licata om zwavel te laden voor Rotterdam. Wij voeren de Straat van Messina door, passeerden Syrakuse, dan rond kaap Passaro en kwamen te Licata op de reede ten anker. De zwavel werd ons in zeil- en roeibooten langszij gebracht, wat erg lang aanhield.
Na een stormachtige dag, meenden wij met onze sloep wel eens aan wal te kunnen gaan om versch water te halen uit een riviertje dat bij Licata in zee uitmondt. Onze ervaren stuurman waarschuwde ons bij voorbaat om voorzichtig te zijn en niet de rivier in te gaan als er branding vóór stond. Toen we dicht voor ‘t riviertje kwamen meenden wij, dat het best zou gaan, maar zonder dat wij er op verdacht waren, werden wij door een aanrollende zee opgenomen en verscheidene meters ver de rivier ingeworpen. Het ljep gelukkig goed af; wij vulden onze leege emmers met versch water en toen wij een daar thuis behoorende roeiboot zagen uitvaren, volgden we die. Met de eerste aankomende zee-roller konden wij ‘t klaren, maar met de tweede kregen wij het te kwaad.
Wij kregen zooveel brijn-zout zeewater over, dat al ons versch water bedorven was. Ook kregen wij een nat pak en de boot halfvol. We moesten er door en de tanden op elkaar gezet, werd nu extra aan de riemen getrokken tot we goed door de branding heen waren. Op behoorlijke afstand in zee, moesten we ons met zooveel inspanning bekomen versch water over boord laten loopen, onze boot uithoozen, weer op de riemen en toen we eindelijk met alle handen weer aan boord kwamen, werden we tot belooning voor onze moed en ‘t gevaar, door den stuurman uitgelachen, die zei; lk zal jullie weer eens om nat uitsturen, dan kom je natter terug als je heenging en nu kan je jezelf laten opdrogen — leeg uit en leeg thuis.”
Eindelijk kregen we de last van onze lading zwavel, maakten ons zeeklaar en dra was Licata uit zicht. Wij passeerden Sardinië, de Middellandsche Zee over, passeerden Gibraltar, de Atlantische Oceaan over, passeerden Kaap Finisterre en kregen na eenige tijd Ouessant in zicht, stevenden het Engelsche Kanaal door, de Noordzee in en koersten naar het zeegat van Hellevoetsluis. De Nieuwe waterweg was toen niet wat hij nu is; we waren al blij nabij ‘t Goedereesche Zeegat land te halen, maar konden geen loods gewaar worden. Een Engelsch schip met de loods aan boord, paaide ons en de loods ried ons aan, hem na te sturen. Dat ging goed zoolang we niet behoefden te laveeren, doch toen onze voor-zeiler overstag ging en ook wij dit navolgden, geraakten we de kluts kwijt. De schemer viel in en we stonden met 3 man op het voordek, scherp uit te kijken.
Eén onzer opperde het vermoeden:„dat we dichter bij de grond dan bij de wolken waren” en nauwelijks had hij ‘t gezegd of- bom — daar lagen we alle drie tegen het dek aan te spartelen en na nog een paar flinke stooten, zat onze schuit zoo vast als een rots. Het andere schip was uit zicht en niemand kon ons helpen. De zeilen werden vastgemaakt en de stuurman met een bemande sloep naar de wal gezonden om hulp. De eerste menschen die zij te zien kregen waren kustbewoners, die met het zeegat goed op de hoogte bleken. Zij kwamen met den kapitein overeen om een anker uit te brengen naar diep water en zouden dan helpen om ons schip van de bank waarop wij vastzaten, af te hieven.
Bij het aanbreken van de dag kwam een loodsvaartuig met hulp van de wal en liet de kapitein nu de hulp van die strandjutters maar varen, daar we later vreesden met het hieven nog in mindere positie te komen. Alles werd nu volgens loods-commando uitgevoerd. Het loodsvaartuig kreeg een tros van ons, deed dienst als sleepboot, ons boeganker werd opgehiefd, het uitgebrachte anker lieten we slippen (dat werd later opgehaald), de zeilen werden losgemaakt om, indien noodig, ze bij te zetten toen de vloed doorkwam en met een stevige koelte begon ons schip weer te stooten. Het loodsvaartuig trok ons echter na veel moeite en horten en stooten toch op diep water en zoo kwamen wij, doodop van ‘t werken, te Hellevoetsluis binnen, en eindelijk te Rotterdam, waar we onze lading in een Duitsche Rijn-aak losten.
Ik monsterde af, ging weer een poosje naar huis, moest toch weer een reis op de Oostzee doen en eindelijk kon ik, tot mijn groot genoegen, geplaatst worden op een mooi groot schip, dat in Amsterdam lag te laden voor
Paramaribo op Suriname.
De heenreis ging zeer voorspoedig en toen we eenmaal de N.O. passaat te pakken hadden, ging alles prachtig met een flinke bries voor de wind, bij mooi zonnig weer. lets nieuws voor mij was het bezoek van vliegende visschen, waarvan ik wel eens had hooren vertellen, maar die ik nu in werkelijkheid zag. Deze visschen, ter grootte van een flinke Noordzee-haring, werden door de groote visschen opgejaagd en zochten dan door uit het water te vliegen aan den vijand te ontkomen. Als ze in groote getale kwamen opzetten, dan belandden ze bij den kok en gebakken, lieten ze zich zeer goed smaken. Ook werden enkele geprepareerd om thuis aan de zolder te hangen, of te verkoopen aan logementen voor zeelieden, waar ze graag bewonderd werden.
Met de N.O passaat konden we de Suriname-rivier opzeilen en lieten ons anker vallen voor de stad Paramaribo. Het was Zondag, we klaarden ons dek wat op en daarmee w*}.s het werk afgeloopen. Nu hadden we tijd om het landschap eens op te nemen. We lagen voor eb en vloed en daar het juist vloed was, met onze voorsteven naar buiten. Aan stuurboord zagen we het z.g. „Leibosch”, wat een prachtig tropisch gezicht opleverde. Aan bakboord lag de stad Paramaribo en op eenige afstand hoorden we tot onze groote vreugde een mooi muziekcorps spelen voor het Paleis van den gouverneur. De volgende morgen verhaalden we ons schip naar de kade om te lossen en toen kon ik de gemengde bevolking eens opnemen. Ons werkvolk bestond uit verschillende menschenrassen van verschillende huidkleur. Nooit van mijn leven heb ik onze Nederlandsche taal door vreemdelingen zoo zuiver hooren spreken door bruin en zwart. Het ging wel eens wat zangerig, doch het was zeer goed verstaanbaar. Velen spraken ook goed Engelsch.
Na onze lading stukgoederen te hebben gelost, haalden wij ons schip op stroom en gingen op de rivier ten anker. Terzelfder tijd was een Oost- Indiëvaarder als bij-ligger binnengeloopen; de „Ottoline”, kapitein List van Rotterdam, welk schip bij het doorsteken der N.O.-passaat was lek gesprongen en hier moest lossen om zijn averij te herstellen. Bij ons lag nog een Hollandsche bark de „Marnix”, ook met leeg-schip. Deze bark en wij werden aangenomen om een lading suiker uit de „Ottoline” over te nemen en toen we hiermee klaar waren, kwam er uit Holland order, dat we op „nader order” moesten wachten. Week in- week uit lagen we te wachten. Af en toe gingen wij met onzen kapitein op jacht en toen “de Ouwe” kennis kreeg aan eenige geroutineerde jagers, zou hij het eens beter bezoeken. Onze steeds opgewekte kapitein kwam na een paar dagen terug met een vracht geschoten wild, dat door ons werd bewonderd. Het was geheel panklaar gemaakt, de koppen er af, omdat in dit warme klimaat de koppen het eerst bederven. Op onze vraag wat soort wild dit was, antwoordde onze kappie, dat het West-Indische hazen waren.
Wij kregen goed ons deel daarvan en den volgenden morgen konden wij al te gast gaan aan de heerlijke geur die uit de kombuis steeg, ‘s Middags zaten we op ‘t voordek onder onze tent rond een feestmaal! en deden ons geducht te goed. Terwijl wij nog een poosje gezellig zaten na te tafelen, kwam onze „Ouwe” met zijn groote Duitsche pijp aan eens informeeren of we lekker hadden geschaft. Het was een en al lof, wat hij kreeg te hooren en na ons oordeel over verschillend wild te hébben verkondigd, vroeg de Ouwe ons of we nu wel wisten wat soort wild of we gegeten hadden. De kok antwoordde: “Hazen natuurlijk kapitein!” Maar nu kwam bij de Ouwe het hooge woord eruit, toen hij zeide, dat het West- Indische Apen waren geweest en dat hij erg blij was, dat deze boomklimmers ook bij ons goed in den smaak waren gevallen. Met zeer gemengde gevoelens werd deze bekentenis opgenomen. Ik had geen bezwaar noch walging, sommigen schaterden het uit van lachen, anderen waren woedend, vooral de kok en onze kappie vond het geraden maar rechtsomkeerd te maken naar zijn kajuit.
Na ongeveer zestien weken voor Paramaribo te hebben gelegen waren we al gauw aan het klimaat gewend. Op zekeren morgen lag ik met de sloep op mijn kapitein te wachten om hem naar boord terug te brengen, toen het Hoofd van de politie met twee agenten mij aanriep en mij gebood om met die twee agenten te roeien naar een Amerikaansch schip om daar iemand af te halen. Ik protesteerde en zei, dat ik mijn kapitein moest afwachten. „Hallo,” zei die mijnheer, „dat zal Ik zelf wel met je kapitein regelen, vooruit maar”! Met ons drieën gingen wij er op af en aan boord gekomen vonden de agenten iemand verborgen in het achterschip. Door de beide agenten werd hij geboeid aan dek gebracht en zoo kregen we hem in de boot. Met mijn geheimzinnige passagiers voer ik naar de wal terug, met deernis in mijn gemoed, want onze gevangene zag er uit als een net heer. Hij scheen echter heel wat op z’n kladboekje te hebben en met een bedankje groetten de agenten mij en ik wisselde een groet met den gevangene die zóó mijn medelijden had opgewekt.
De kapitein vertelde mij later, dat hier veel slecht volk huisde. Naar boord roeiende, hoorde ik tot mijn genoegen, dat wij ankerop zouden gaan en passagiers mee terug zouden krijgen naar Holland. Een officier en zijn vrouw, kinderen en een zwarte baboe (dienstmeid). Zoon gezellige omgeving stond mij best aan en weldra kwamen onze passagiers aan boord. Alles werd nu voor het vertrek in orde gemaakt en daar ging het
naar het Vaderand terug. Wij moesten nu de N.O.-passaat zoo voordeelig mogelijk doorvaren en ging het zoodra zulks kon over bakboord bij den wind op met stevige bries, zoodat wij nog al wat water op en over kregen. Wij pompten op elke wacht lens, maar op zekeren morgen scheen het alsof de pomp niet lens was te krijgen. Wordt vervolgd. (Nadruk verboden) J.
HARNS
Uit: Leeuwarder nieuwsblad : goedkoop advertentieblad
29–04–1932

