Iemand hou Rutger Bregman de Pinterest-intellectueel tegen

Rutger Bregman wil een punt maken: kinderen spelen minder dan vroeger, dat heeft te maken met dat we werk te belangrijk vinden, en dat is slecht. Chill, niet zo moeilijk, 500 woorden en je hebt het wel covered. 1.500 als je echt de diepte in wil gaan met wat wetenschap.

Of, als je Rutger Bregman bent, 5.000 woorden voor oppervlakkige pop-science met een dik laagje onkritisch kolonialisme eroverheen. Want Bregman is niet zo van de intellectuele diepgang. Hij is meer van de plaatjesverzameling als kennisproductie. Rutger Bregman: Pinterest-intellectueel (credits naar een anonieme maat voor deze vergelijking).

Het schijnt dat Bregmans hoofdthese in dezen (dat kinderen nu minder spelen) nogal problematisch is, maar dat laat ik graag aan mensen die er meer van weten. Ik wil het hebben over drie dingen waar ik wel een klein beetje van af weet, en die constant in Bregmans werk terugkeren: kolonialistische antropologie, luie geschiedschrijving, en thought leadership.

Leiden, UB ms. VLF 31. via Sjoerd Levelt

Kolonialistische luiheid

Bregman begint, eindigt en doorspekt zijn betoog met de Baining, een term waar een aantal bevolkingsgroepen in noordoost Papua Nieuw-Guinea onder vallen. Volgens hem zijn dit “simpele landbouwers” die niet weten wat spelen is, en daarom “de saaiste cultuur op aarde” zijn.

Spreekt Bregman hier uit ervaring, uit diepgaande kennis van de dagelijkse leefwereld van de Baining? Natuurlijk niet. Hij heeft twee boekjes gelezen over die groep en denkt ‘ha, ik kan hier leuk een puntje over onszelf mee maken’.

Dat is niet origineel: Tacitus deed dat twee millennia geleden al met de Germanen, en de afgelopen 600 jaar hebben hebben witte, west-Europese mannen hele bibliotheken volgeschreven met etnografische werken gebaseerd op derdehands informatie die eigenlijk vooral het product was van (het gebrek aan) fantasie van andere witte mannen.

Bregman voegt zich naar die traditie, waarin De Ander als simpel en tegelijk onbegrijpelijk wordt afgebeeld. Zouden de Baining gewoon mensen zijn met allerlei variaties en dagelijkse praktijken? Nah, ze zijn saaie werkmachines!

Ze hebben geen rituelen en er is geen magie. Ze maken geen schelpengeld, geen beeldhouwwerk, geen pottenbakkerij. Er worden geen goden of heiligen aanbeden. Er zijn ook geen leraren, dokters of sjamanen. Iedereen is gelijk en alle dagen zijn hetzelfde. De boeren staan ‘s ochtends op, gaan aan het werk, komen terug, en bakken taro — een plant die dagelijks op het menu staat.
Dat is alles.

Ik weet niet hoor, maar dit is het enige plaatje op de Engelstalige Wikipedia-pagina over de Baining.

Baining fire dancer, door Taro Taylor via Wikimedia Commons (CC BY 2.0)

Dat ziet er toch verdacht veel uit als een ritueel, als iets dat niet iedere dag gebeurt, en als iets dat noch landbouw, noch taro bakken is.

Als historicus zou Bregman moeten weten dat als je een andere cultuur als spiegel voor de eigen cultuur gebruikt, je dit krijgt: eindeloze vervormingen, vaak binnen een context van overheersing en kolonialisme. Zeker in het geval van Papoea Nieuw-Guinea, waarvan de oorspronkelijke bewoners nog steeds vaak racistisch worden benaderd door ze als representatie van het ‘primitieve’ te zien. En zeker in het geval van een Nederlandse historicus die over Papoea’s schrijft, gezien onze specifieke koloniale onderdrukking van de Papoea’s, en onze geschiedenis van het behandelen van Papoea’s als onderwerp om te bestuderen.

Zo’n postkoloniaal perspectief wordt echter nogal gemarginaliseerd in veel Nederlands geschiedenisonderwijs, ook op de universiteit, dus neem ik het Bregman niet al te kwalijk. Hij is ook maar een product van zijn beperkte opleiding en op spel gerichte cultuur. Het is alleen wel een beetje schokkend dat ze hem in Utrecht niet hebben geleerd om meerdere wetenschappelijke werken te raadplegen voor je grove, generaliserende uitspraken over gehele bevolkingen doet.

Misrepresentatie

Oke, goed, qua kritische reflectie is het dus allemaal poep, maar misschien heeft Bregman toevallig een accurate weergave van de Baining gegeven?

Laten we eens zien. Vijf jaar geleden schreef Peter Gray dit artikel over de Baining voor Psychology Today. Gray representeert de Baining als cultuurloos, saai, werkgericht, en zonder enige vorm van spel, allemaal om het punt te maken dat wij daar te veel op beginnen te lijken en meer zouden moeten spelen.

Je zou bijna denken dat Bregman dat artikel heeft gekopieerd, vooral omdat hij Gray “een van de belangrijkste denkers over spelen onder kinderen” noemt. Maar als Bregman zo lui was, dan heeft hij in ieder geval niet de intellectuele integriteit gehad om de kritische comments op het artikel, waar Gray zelf prominent melding van maakt, mee te nemen.

Die comments zijn de moeite waard: vijf onderzoekers en een Baining duiken op, en de strekking van hun commentaar is dat de Baining wel spelen, absoluut niet saai zijn noch zichzelf saai vinden, en dat de representatie van Gray racistische onzin is. Je kan een paar citaten onderaan dit artikel lezen. De enige onderzoeker die het grotendeels eens is met Gray is Jane Fajans, maar zij is veruit in de minderheid. Bovendien hebben de andere antropologen ook theorieën gepubliceerd over waarom Fajans zo’n gebrek aan spel en cultuur ziet waar zij meer zien: gevolg van een bewuste strategie om de Bainingcultuur gesloten te houden voor buitenstaanders, volgens Stebbins en Planigale.

Had Bregman wat intellectuele interesse getoond voor de Baining, dan had hij op zijn minst de verschillende visies weer kunnen geven in plaats van eenzijdige, koloniale sprookjes op te hangen. Maar dat maakt het vertellen van een leuk verhaaltje zo moeilijk, en dat verhaaltje is natuurlijk veel belangrijker dan een accurate en respectvolle behandeling van een andere cultuur.

Waarom?

De Baining zijn in Bregmans pleidooi niet meer dan wat decoratie, de westerse, exotiserende representatie van mensen van kleur als statussymbool. Dat is in ieder geval een oud-Hollands gebruik, maar eentje die hij beter in het verleden had kunnen laten.

Maar waarom heeft Bregman hier voor gekozen? Waarom heeft hij zich schuldig gemaakt aan zulke intellectuele luiheid? Wat was het punt? In zijn eigen woorden:

Het verhaal van de Baining is een metafoor voor deze tijd. Het is een waarschuwing voor de wereld waar we op afstevenen: een wereld zonder vrije tijd en zonder spel. Een wereld waarin alles draait om werk.
Stallonepalm

Je beste voorbeeld van “we werken te veel” is een racistisch sprookje over een samenleving van zelfvoorzieningslandbouw die niet gedreven wordt door kapitalisme? Het ontbreekt in dit hele verhaal wel iemand aan fantasie en creativiteit, inderdaad.

Fantaseren over de prehistorie

Speaking of het verleden: als Bregman zijn oppervlakkige en beperkte lezing van antropologie verplaatst naar het verre verleden wordt het er allemaal niet beter op. In zijn versie van Het Grote Historische Handboek leefden ‘we’ allemaal in een of andere homogene fantasiewereld 12.000 jaar geleden.

Kijk bijvoorbeeld naar dit stukje tekst (met wat irrelevante onzin ertussenuit geknipt):

Ongeveer 10.000 jaar geleden ontstond een volkomen tegennatuurlijke leefwijze [..] de uitvinding van de landbouw. [..]Voor die tijd werkten we hoogstens vier uur per dag. We aten gevarieerd en bewogen voldoende — de antropoloog Marshall Sahlins spreekt ook wel van de de ‘oorspronkelijke welvaartssamenleving.’

‘Volkomen tegennatuurlijke leefwijze’ klinkt als primitivistische onzin (wat is natuurlijk?), en dat is precies wat ‘t is. Bregman recapituleert hier Marshall Sahlins’ “original affluent society” theorie uit 1966(!), waarin jager-verzamelaars op een geïdealiseerde en homogene manier worden neergezet als tegenpool van onze moderne, kapitalistische samenleving. Ze hoeven niet zo veel, hebben daardoor genoeg, en zijn daardoor gelukkig.

Als Bregman naar recent onderzoek had gekeken, had hij dit nooit op mogen schrijven. En met ‘recent’ bedoel ik na 1980, en met ‘onderzoek’ bedoel ik ieder willekeurig antropologisch handboek. Het idee van de vier-urige werkdag was bijvoorbeeld gebaseerd op heel beperkte en selectief gekozen data, en een ontzettend nauwe definitie van werk. Vergelijkbare kritieken problematiseren of verwerpen andere delen van de theorie, en uiteindelijk blijft er van de delen die voor Bregman relevant zijn niet zo heel veel over. (1)

Een van die kritiekpunten is dat de theorie absurd generaliserend is: verschillende groepen leven op verschillende manieren in verschillende omgevingen. Het dieet aan de noordpool gaat er heel anders uitzien dan aan de oevers van de Rijn, bijvoorbeeld. Een andere kritiek is dat we niet zo maar moderne jager-verzamelaars als model voor 20.000 jaar geleden kunnen gebruiken: de leefomgeving was anders, en die samenlevingen zijn ook geen statische overblijfselen maar dynamische, aangepaste leefsystemen.

Maar in plaats van naar wetenschappelijk onderzoek op zoek te gaan en zijn aannames te ondervragen, refereert Bregman aan een flinterdun pamflet van Jared Diamond uit 1987 (2). Diamond is opgeleid als bioloog en maakte pas in de jaren ’90 furore met zijn populair-wetenschappelijke werken over de ontwikkeling van de mensheid, die overigens verre van lovend ontvangen zijn door historici. Met andere woorden: als je gegronde uitspraken wil doen, moet je mogelijk elders kijken (zie ook de nu populaire Yuval Harari).

Generaliseren zonder eind

Konijnenbreak!

Dit is een terugkerend thema bij Bregman: de variatie van de mensheid kapotgeneraliseren naar één homogeen, eurocentrisch model op basis van gedateerd, populair-wetenschappelijk werk. Hierdoor presenteert hij een eenduidige, universele ‘we’. We leven allemaal op dezelfde manier, gaan door eenzelfde ontwikkeling heen, en gaan naar eenzelfde uitkomst: de Kapitalistische Basic Income Heilstaat. Het is een stuk makkelijker om je favoriete speeltje als de onvermijdelijke uitkomst van de geschiedenis neer te zetten, als je de historische ontwikkeling als eenduidig en universeel interpreteert.

Daarom is voor Bregman de uitvinding van de landbouw een enkelvoudige gebeurtenis die zo’n 10.000 jaar geleden plaatsvond. In werkelijkheid waren dit veel verschillende uitvindingen op losstaande locaties, tussen ~12.000 en ~4.000 jaar geleden — waarbij sommige volkeren nooit een vorm van landbouw ontwikkelden, zoals onder de Australische aboriginals.

Nu is deze generalisatie niet zo’n ramp bij landbouw: de overgrote meerderheid van de wereld heeft de afgelopen millennia direct of indirect van agricultuur geleefd, en dat dit een belangrijk onderdeel is van menselijke ontwikkeling is min of meer gemeengoed. Maar Bregman doet dit soort universalistische en van tijd losgekoppelde uitspraken met van alles en nog wat, vaak op basis van achterhaald en oppervlakkig bewijs.

Zo is in zijn verhaal de landbouw de oorzaak van alle kinderarbeid (van “honderden eeuwen vrij” naar “zwaar en geestdodend werk op de boerderij”). Dat terwijl wij veel hedendaagse jager-verzamelaars kennen die hun kinderen al vanaf vier tot vijf jaar oud laten jagen en voedsel verzamelen(3). Dat terwijl de mate en vorm van kinderarbeid van locatie tot locatie, van tijdsvak tot tijdsvak verschilt.

Voor Bregman maakt al die variatie niet zo uit. “Niet veel” na de uitvinding van de landbouw kwamen opeens de eerste onderwijssystemen, omdat “de kerk” vrome volgelingen wilde, “het leger” loyale soldaten en “de werkgever” harde werkers. En dat staaft onze historicus dan met een enkel citaat van de 18e-eeuwse Brit John Wesley, dat hij uit een handboek uit de jaren ’50 haalt.

Floep: 10.000 jaar en een hele wereldbol met een diversiteit aan culturen overbrugd in een paar zinnen, met een witte, 18e-eeuwse Verlichtingsman als woordvoerder. Want zoals we allemaal weten zijn west-Europese, witte, bovenklasse mannen representatief voor de hele wereld, en helemaal niet specifiek in onze plaats, tijd, etniciteit, racialisering, klasse, seksualiteit en andere kenmerken.

Onderzoek naar de rol van de negentiende-eeuwse natiestaat en kolonialisme in het vormen van Europees onderwijs? Nergens voor nodig. Onderwijs dat niet binnen kerk, leger of werkgever valt (denk aan regeringsadministratie, zoals het examenstelsel gedurende 2.000 jaar keizerlijk China)? Nooit van gehoord. Een notie dat West-Europese versies van de kerk, het leger en vooral de werkgever (ons huidige model van loonarbeid is ook maar een recent gevolg van kapitalisme) lokaal en tijdsgebonden zijn? Wasda?

Goochelen met kinderarbeid

Het is niet alleen opvallend dat hij zo sterk generaliseert, maar ook dat zelfs wanneer hij eventjes doorheeft dat die generalisatie niet vol valt te houden, toch doordendert. Zie hier:

Tijdens de Industriële Revolutie werd veel van het geestdodende werk overgenomen door machines (niet overal natuurlijk, in Bangladesh zitten kinderen nog steeds achter de naaimachines voor onze koopjes). En dus veranderde het doel van het onderwijs: kinderen moesten leren lezen en schrijven, ontwerpen en organiseren om later een goede baan te vinden.
Charles Dickens wist wat Rutger Bregman nog niet doorheeft

Bregman zegt dan wel ‘niet overal natuurlijk’, die ‘natuurlijk’ heeft geen enkele impact op zijn peuterspeelzaal-interpretatie van geschiedenis. Het verhaal blijft exact hetzelfde: we hadden industrialisatie, en die leidde tot minder kinderarbeid en meer scholing. Dat is alles, net zo simpel als bij zijn sprookje over de Baining.

Maar zo simpel is het niet. In Bangladesh en andere lage-lonen landen waar wij onze textielindustrie (en cacao-plantages, en koffie-plantages en….) naar hebben ge-outsourced is kinderarbeid inderdaad aan de orde van de dag. Dat is alleen geen uitzondering op maar een consistent onderdeel van ‘de’ industriële revolutie.

Die revolutie vond namelijk plaats in noord Engeland, en verspreidde zich pas later naar andere locaties. En de textielfabrieken en mijnen van die noord-Engelse revolutie maakten gretig gebruik van kinderarbeid. Er is nog wat controverse over hoe wijdverbreid die kinderarbeid precies was (hoe zat dit bijvoorbeeld buiten de industriële hotspots?), maar recent onderzoek beargumenteert bijvoorbeeld dat kinderen tijdens de Engelse industrialisatie jonger aan het werk gingen dan daarvoor, en dat met geestdodend werk in fabrieken(4). Die kinderarbeid nam in Engeland pas weer af na de industriële revolutie, vanaf ongeveer het midden van de negentiende eeuw.

Bregman heeft die basisfeitjes niet eens op een rij, en het wordt helemaal absurd zodra hij er een groter plaatje van probeert te breien. Hij verliest aspecten van gender (denk aan huiselijk werk), racialisering (tot slaaf gemaakte kinderen in de Amerika’s), klasse (de dochters van de fabriekseigenaren stonden niet achter die machines), en geografie (werd kinderarbeid verplaatst naar elders ipv afgeschaft?) uit het oog. Maar dat soort lastige details maken het universele verhaaltje dat Bregman probeert te verkopen zo moeilijk.

Om met Karl Marx te spreken: de opkomst van kapitalisme en industrialisatie leidden in Engeland tot de commodificatie van kinderarbeid, waarbij die arbeid niet meer plaatsvond binnen de context van een gemeenschap maar verhandeld werd op een open markt, en de drang om meer kapitaal te vergaren tot meer en meer uitbuiting van die arbeid leidde. Historici hebben dat plaatje nogal gecompliceerd, maar de basis staat wat mij betreft nog wel overeind. Bekt wat minder lekker dan wat Bregman vertelt, dat wel.

Bregman de thought leader

Rutger Bregman, crop van werk van Victor van Werkhooven via Wikimedia Commons (CC BY 3.0)

Het absurde aan dit alles is dat al die onzin niet nodig is voor zijn punt. De Baining, de vernaggeling van antropologie, het gegeneraliseerde, foutieve stukje geschiedenis — het voegt helemaal niets toe aan zijn algemene verhaal. De kern gaat over hoe veel moderne Nederlandse kinderen spelen, is gebaseerd op recent onderzoek, hij citeert wat wetenschap, en hij heeft voorbeelden van alternatieven in de vorm van een Deense school uit 1943, en een hedendaagse school in Nederland.

Als hij het daarbij had gelaten had hij een interessant journalistiek stuk over alternatieve manieren van het benaderen van spel en onderwijs van kinderen. Niets revolutionairs, waarschijnlijk wat eenzijdig (ik ben niet thuis in de pedagogiek dus kan dat niet echt beoordelen), en toegespitst op een beperkte leefwereld. Iets waar schijnbaar weinig fundamenteels mis mee is, en dat ook nog enige concrete, maatschappelijke verbeterpunten suggereert. Dat zou voor de meeste mensen wel voldoende zijn.

Behalve dan als je Rutger Bregman heet, en alles te maken moet hebben met hoe Het Basisinkomen straks Alle Problemen Op Gaat Lossen en dat Rechts En Links Het Allebei Leuk Vinden (*kuch* bullshit *kuch*). Want dat is een verhaaltje dat verkoopt. Daarmee kan je aan komen zetten bij The Guardian, bij TED, en bij het World Economic Forum. Vooral als je je message verpakt als een positief verhaal dat enge woorden als ‘Marx’, ‘communisme’ en ‘kapitalisme’ vermijdt.

Het helpt blijkbaar ook als je zelf geen originele gedachten hebt. Bijna alles dat Bregman schrijft in zijn stuk over kinderen en spel had rechtstreeks van het blog van Peter Gray kunnen komen. Op de een of andere manier is Bregman een boegbeeld van Basic Income geworden, maar dat idee is veel ouder, en hij brengt geen originele argumenten te berge. De laatste tijd is hij ook aan de haal gegaan met David Graebers vier jaar oude concept van bullshit jobs. Graeber is een radicale anarchist die daadwerkelijk innovatief werk verricht, maar Bregman heeft zo’n leuk fris kopje en weet zichzelf te verkopen aan de juiste mensen.

Dat hoeft allemaal niet zo erg te zijn, behalve dat hij het zo verrekte slecht doet (en vaak mensen geen credits geeft). Bijna alle kritiek die ik hierboven geef had hij kunnen vermijden door wat wetenschappelijk werk van na 1980 open te slaan en enigszins terughoudend te zijn met zijn claims. Maar Bregman komt met gechargeerde interpretaties van ook al gechargeerde populair-wetenschappelijke boeken die zelf gebaseerd zijn op decennia oude achterhaalde concepten. Het is slecht gecheckte, simplistische, derdehandse onzin in een mooi hoesje. Hij zou zo bij een autodealer aan de slag kunnen.

David Drezner zou Bregman dan ook een Thought Leader noemen: een publieke spreker die makkelijk te verhappen maar toch groot lijkende ideeën verkoopt aan mannen met te veel cash die geen radicale systeemkritiek kunnen verdragen.

While public intellectuals traffic in complexity and criticism, thought leaders burst with the evangelist’s desire to “change the world.” Many readers, Drezner observes, prefer the “big ideas” of the latter to the complexity of the former. In a marketplace of ideas awash in plutocrat cash, it has become “increasingly profitable for thought leaders to hawk their wares to both billionaires and a broader public,” to become “superstars with their own brands, sharing a space previously reserved for moguls, celebrities, and athletes.”

Nu vind ik dit iets te positief over de publieke intellectueel — we herinneren ons James Baldwin en Susan Sontag eerder dan de massa van prutsers — maar de Thought Leader is Bregman ten voeten uit, het gevolg van een systeem waarin leuke, makkelijke, positieve praatjes vermarkt worden. Hij kan er ook niets aan doen dat hij zo is opgevoed.

Maar toch, we verdienen beter dan deze Pinterest-intellectueel. Want Universal Basic Income (de linkse variant die niet de rest van het systeem van sociale ondersteuning sloopt) is een mooi streven. Graebers concept van Bullshit Jobs is ontzettend nuttig. Nederland kan best wat meer linkse publieke intellectuelen gebruiken die ergens voor staan. Mensen die snappen dat kapitalisme, witheid, het patriarchaat, heteronormativiteit, kolonialisme en imperialisme intergerelateerd zijn. En liefst mensen die niet alweer hetero, cis, middenklasse, witte mannen zijn die vooral gedateerde, hetero, cis, middenklasse, witte mannen citeren.

FIN.

Thanks for reading!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Citaten over het artikel van Peter Gray

Gail Pool, die geciteerd wordt door Bregman en Gray:

I think your article was written from a very narrow viewpoint. It seems to me risky to write about a society you’ve never even visited, and still more risky to generalize on information that is secondhand — and in this case, thirdhand.
And for the record: Baining children do play

Jeremy Pool, antropoloog en man van Gail Pool:

Young Baining children, particularly young boys, played a lot, with no adults telling them not to do so. They would run around in bunches, chase each other, jump in the river to play in the water, and basically just amuse themselves in a way that a western observer would find very familiar as typical kids play.

Tonya Stebbins, die onderzoek deed onder de Baining.

The group of people I know all enjoy playing around in various ways (joking, singing silly songs and gossiping) as and when they can. They have also expressed a great deal of curiosity about me and the wider world (everything from my long hair, to the barcodes on packaged foods, to the stockmarket, to homoepathic remedies and my technique (inadequate) for washing in the river…). None of this behaviour was limited to any specific age group, although the kinds of ways in which people have fun and the things they are curious about naturally varies across the lifespan.

Mark Planigale, man van Stebbins die ook veldonderzoek deed onder de Baining:

I think this article is a form of racial vilification. Statements like “dullest culture on earth” are massive generalisations based on the experience of a handful of westerners who apparently never established anything beyond a superficial relationship with the Bainings they knew. Repeating these type of generalisations without checking their veracity, or considering other sources and perspectives, is just racist stereotyping.

Evan Kidd, die onderzoek deed naar het spel van kinderen onder de Baining.

The point is that children in traditional cultures engage more in ‘work play’, where they imitate activities of adults for their own enjoyment. The crucial error here is to see this purely as work (or ‘training for work’), rather than play.

En Ngorana uit Sinivit, die zegt een Baining te zijn.

For Baining’s of Sinivit of the south coast for example, play is accepted and taken as time-out.
However, adults instill in children that working such as chopping fire wood, diving for fish, gardening, building houses, hunting and gathering is crucial in sustaining your self and your land — especially for males at a later age.
Children are taught to be independent and self sufficient and less dependent on their parents or elders at a very young age. This whole concept of not allowing play in our daily lives to me is WRONG.

terug naar tekst

Noten

  1. Zie David Kaplan, ‘The Darker Side of the “Original Affluent Society”’ (pdf) en Robert L. Kelly, The lifeways of the hunter-gatherers voor goede overzichten van die kritieken). (terug naar tekst)
  2. Bovengenoemde Kaplan en Kelly gaan ook in op de beweringen van Diamond, die Bregman onkritisch herhaalt. (terug naar tekst)
  3. In The Hadza, hunter-gatherers of Tanzania (2010) schrijft Frank Marlowe dat kinderen vanaf vier jaar oud ongeveer de helft van hun dagelijkse voedselinname zelf verzamelen. Jongens krijgen hun eerste pijl en boog als ze 3 zijn, en zijn dan uren per dag bezig om te oefenen met jagen. Vergelijkbare observaties vallen in de Encyclopedia Britannica te lezen. (terug naar tekst)
  4. Zie Jane Humphries, Childhood and Child Labour in the British Industrial Revolution (2011). Zij ziet op basis van statistieken en 600 autobiografieën mannelijke kinderen tijdens de industriële revolutie aan het werk gaan rond hun 10e levensjaar, en voor (<1790) en na (>1840) die revolutie vanaf hun 12e levensjaar. Zie ook dit ietwat gedateerde overzicht van de Economic History Association. (terug naar tekst)