De kunst van het klagen. Een gesprek met Björn Schmelzer van Graindelavoix.

KASK en Conservatorium
Mar 3 · 9 min read

(Tekst: Régis Dragonetti)

© Koen Broos

Het is een druilerige ochtend wanneer ik samen met filmstudent Martijn Van de Wiele, cameraman van dienst, naar Antwerpen rijd. We plannen een promovideootje op te nemen voor het concert van ensemble Graindelavoix in de MIRY Concertzaal begin april. Naar het schijnt heeft artistiek leider Björn Schmelzer weer iets bekokstoofd en daar willen we het fijne van weten. Binnen de oude muziek hebben Schmelzer en compagnie de laatste vijftien jaar een heel eigen positie ingenomen, wars van het dominante model van de historische uitvoeringspraktijk. Die huldigt namelijk de idee dat authenticiteit slechts te bereiken is middels een minutieuze reconstructie van het toenmalige klankbeeld. Schmelzer is het daarmee oneens. Hij vat de vertaalslag naar vandaag veel breder op, wat maakt dat zijn concerten en opnames weinigen koud laten.

We worden verwacht op het hoofdkwartier van Graindelavoix, een eerder onaanzienlijk huis in de Brederodewijk. Binnen echter verrast ons de Boheemse stemmigheid, die het interieur en de aanwezige mensen eerlijk onder elkaar hebben verdeeld. We worden begroet als vrienden en wanneer Schmelzer verneemt dat de studenten van het conservatorium zoiets als kunstenaarsteksten krijgen, schenkt hij ons prompt zijn Time Regained, A Warburg Atlas for Early Music, een prachtige publicatie die hij in samenwerking met Margarida Garcia samenstelde en een soort tekstuele provisiekast vormt voor oude muziek. Hij stelt voor om het interview in zijn ‘schrijvershol’ te doen. We klimmen naar het hoogste verdiep en betreden een kamertje, dat meer weg heeft van een geïmplodeerde bibliotheek. De wanden staan tot aan het plafond vol met boeken. Zonder overdrijving: duizenden. Samuel Becketts trilogie, geschriften van Henri Bergson en Giordano Bruno, de klassiekers van Charles Darwin, essays van Bruno Latour, de visioenen van Hadewijch… Veel literatuur, maar nog meer filosofie.

Schmelzer toont zich een bevlogen spreker. Hij denkt snel, brengt zichzelf op een idee en stort zich op een nieuw denkspoor. Ik ben blij dat de camera alles registreert, want het heeft iets van een achtbaanrit. Onderstaand interview vond dan ook nooit plaats. Het is een compositie op basis van dat gesprek. Dat is natuurlijk wel vaker het geval in geschreven media, maar dat we het hier voor een keer niet wegsteken, heeft alles te maken met Schmelzers visie op het verleden, en hoe dat heden kan worden.

***

ONRUST: Graindelavoix is niet vies van minder bekend repertoire, maar met de Tenebrae Responsoria (1611) van Carlo Gesualdo brengen jullie toch wel een klepper?

SCHMELZER: Ja, de Tenebrae zijn inderdaad een soort monstre sacré van de oude muziek. Qua status doen ze niet onder voor de Messe de Nostre Dame van Guillaume de Machaut. Ook voor Graindelavoix is het een mijlpaal. Ik beschouw onze nieuwe plaat bij Glossa, een integrale a capella opname van de Tenebrae, dan ook als het beste dat we tot nog gepresteerd hebben.

ONRUST: We zijn geen grote pilaarbijters, moeten we bekennen. Wat zijn tenebrae responsoria nu precies ook weer?

SCHMELZER: Het is repertoire voor de Paasweek, meer specifiek voor de nachten die Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag voorafgaan. Je moet je dat zo voorstellen. Eerst werd een lamentatie gezongen, soms polyfoon soms op Gregoriaanse wijze, waarop dan een antwoord volgde — een responsorium dus. Elke nacht telde er negen en het was de gewoonte om na afloop van elk stuk een kaars te doven, zodat het officie in het pikkedonker eindigde. Dat Gesualdo precies voor de responsoria kiest, eerder dan de lamentaties, is trouwens niet onlogisch. Ze bevatten de meest passionele teksten.

ONRUST: Gids ons.

SCHMELZER: Alles draait uiteraard rond de passie van Christus. De eerste nacht is zeer dramatisch. Hij vangt aan In monte Oliveti, waar Jezus in de steek wordt gelaten door zijn slaperige leerlingen en Judas zijn verraad pleegt. De tweede nacht, waarin de kruisdood wordt geëvoceerd, is ook dramatisch, maar heeft een meer contemplatieve inslag. Mijn voorkeur gaat uit naar de derde nacht, want daar staat het klagen centraal. Ik ben zelf een grote klager, moet je weten. (Lacht.) Het heeft iets antieks. Ernesto De Martino schreef erover in zijn boek La terra del rimorso. Vrouwen die zichzelf huilend op de borst slaan, priesters die hun gezicht en lichaam met as inwrijven. Ook de films van Pasolini komen me spontaan voor de geest. Daar voel je net als bij Gesualdo de archetypes spoken, het nachleben zoals Aby Warburg het zou noemen. In het begin van de zeventiende eeuw, toen Gesualdo zijn responsoria schreef, was die klaagcultuur overigens nog springlevend, zeker in Puglia en Campania.

ONRUST: De componist had zelf ook reden tot klagen, nietwaar?

SCHMELZER: De muziek van Gesualdo is inderdaad moeilijk los te zien van zijn levensloop. Hij was een getormenteerd figuur, die teruggetrokken leefde. In zekere zin is hij een romantische kunstenaar, zij het een kleine tweehonderd jaar avant la lettre. Volgens sommigen biografen zou hij zich net als Dürer met Christus hebben vereenzelvigd, wat bij een lijdensverhaal als dit natuurlijk voor extra resonanties zorgt.

ONRUST: Had de man niet iemand vermoord?

SCHMELZER: Er is een enorme mythevorming rond Gesualdo. Die is boeiend op zich, maar laat ons beginnen met de feiten. In de eerste fase van zijn leven woont hij in Napels. Daar vermoordt hij inderdaad zijn vrouw en haar minnaar (of laat hen vermoorden), nadat hij hun heeft aangetroffen in flagrante delicto. Let op, dat werd als aristocraat min of meer van hem verwacht. Een straf heeft hij er alleszins niet voor gekregen. Hoe dan ook, hij huwt opnieuw, met een prinses uit Ferrara, en vestigt zich op twintig kilometer van Napels, in zijn slot in het afgelegen Avellino. Daar vangt het tweede en meest mythische deel van zijn leven aan. Verteerd door spijt, zoals dat heet, overgeleverd aan zijn demonen. Er is sprake van hekserij, paranoia, vreemd gedrag… Zo zou hij zich regelmatig door jonge knapen hebben laten geselen.

ONRUST: En dat… hoor je?

SCHMELZER: Wel, je kan je altijd afvragen in hoeverre de biografie van een componist relevant is. Het probleem is nu net dat je in die Tenebrae werkelijk iets ziekelijks hoort doorklinken. Dat ongeremde pathos en die intensieve chromatiek vind je nergens zo ver doorgedreven. Vergelijk Gesualdo’s muziek met de serene madrigaalkunst van Palestrina en de Victoria en je begrijpt meteen waarom de inquisitie ze op de Index plaatste.

ONRUST: Geen goede zaak voor zijn muzikale nalatenschap, stellen we ons voor.

SCHMELZER: Ook op dat vlak lopen feit en fictie dooreen. Zogezegd is de muziek van Gesualdo lange tijd compleet vergeten geweest, om pas tijdens de twintigste eeuw door Stravinski en anderen herontdekt te worden. Nu, ten dele is dat waar. Zijn oeuvre is voor een stuk gemarginaliseerd, zowel door de vormelijke excentriciteit ervan, als die Katholieke banvloek. Anderzijds heeft hij zijn Tenebrae wel uitgegeven. Zoiets laat zich moeilijk rijmen met het beeld van de kluizenaar die slechts muziek schrijft voor eigen gebruik. We weten trouwens dat Heinrich Schütz zijn werk kende, alsook Constantijn Huygens, een belangrijke homo universalis uit de Gouden Eeuw. Bovendien was onder aristocraten tot laat in de 17de eeuw de praktijk gangbaar om gezeten rond een tafel samen te zingen uit stemboekjes. Gesualdo’s muziek kwam daar zeker in voor.

ONRUST: Half vergeten dan maar?

SCHMELZER: Ik zie hem als een soort undead composer die door de muziekgeschiedenis waart. Eigenlijk was hij in zijn eigen tijd al iets van een anachronisme. Afgezien van zijn chromatische eigenaardigheden schreef hij in een eerder conservatief idioom. Sommigen verweten hem maniërisme. Vergeet niet dat Monteverdi voor 1611 al heel wat belangrijke barokke werken had geschreven. In die zin is er dus de link met Bach, die zich ook vreemd tegen zijn eigen tijd verhield. Shakespeare laat Hamlet ergens zeggen: ‘Time is out of joint’. Zo zie ik dat ook. Weet je, ik heb ooit een jaar in Napels gewoond, een speciale stad waar de tijd niet stil staat, maar eerder een maalstroom vormt. Als je er over de Spaccanapoli (in het oudste stadscentrum) loopt en naar Gesualdo’s palazzo vraagt, weten mensen meteen wat je bedoelt. Mythe en waarheid versmelten er zoals Christus’ huid en de lijkwade bij dat prachtige, weliswaar veel jongere beeld van Giuseppe Sanmartino dat is te bezichtigen in de Cappella Sansevero.

© Koen Broos

ONRUST: In MIRY Concertzaal gaan jullie zelf aan het mengen.

SCHMELZER: Ja, ons concert wordt een vorm van historische sciencefiction. Wat als… Als de muziek van Gesualdo bekender ware geweest, wat zou dan de impact geweest zijn op pakweg de Duitse muziek, die tenslotte in hoge mate vanuit het zuiden beïnvloed is. Concreet voegen we aan de zes stemmen een orgel en twee theorbes toe; een basso continuo dus. Die organisatie vanuit de laagste stem is natuurlijk typisch voor de barok, maar gek genoeg is het resultaat iets dat je een missing link zou kunnen noemen tussen de Italiaanse madrigaalkunst en de vroege Duitse school à la Buxtehude en Schein. Eigenlijk nemen we de limiet van de historische uitvoeringspraktijk: hoe het zeker niet is geweest.

ONRUST: Heel stout.

SCHMELZER: Er is meer. Als tweede ingreep confronteren we bepaalde responsoria met zettingen van dezelfde tekst door andere componisten. Belangrijke bronnen zijn daarbij het Promptiarium Musicum en het Florilegium Portense, twee verzamelingen van zestiende-eeuwse polyfonie (Prima pratica zoals dat heet), die later zeer invloedrijk zijn geweest buiten Italië. We nemen bijvoorbeeld het ‘Tristis est anima mea’ uit de eerste nacht en stellen er zettingen naast van de uit Bergen afkomstige Orlando di Lasso en de veel minder bekende Agazzari. Ook Cypriano de Rore zal vertegenwoordigd zijn. Deze Vlaming was namelijk de leermeester van de leermeester (sic) van Gesualdo en maakt het kluwen van bloedlijnen nog ingewikkelder. Enfin, het doel is een virtuele horizon te scheppen, waartegen de muziek van Gesualdo in de 17de eeuw in de Nederlanden maar ook in Duitstalige gebieden geapprecieerd had kunnen worden. Had. Kunnen. Worden.

ONRUST: Nogmaals: heel stout.

SCHMELZER: Ik hou nogal van Adorno’s idee van kunstwerken als flessenpost. Het zijn rare dingen die komen aandrijven uit het verleden. Weird stuff, waar moeilijk een touw aan vast is te knopen. Wij, in het heden, hebben de plicht die flessen te openen. Alleen mag je de inhoud ervan niet neutraliseren met historische uitvoeringspraktijk. Je moet de eigenaardigheid, ja, de queerness ervan net in de verf zetten. Sorry, maar de Ars Subtilior was iets van een klein groepje avant-gardekunstenaars. Je hoeft het niet nodeloos te romantiseren, maar gewoontjes was het allerminst. De filosoof Bruno Latour zegt ‘Nous n’avons jamais été modernes’. Ik zeg bij wijze van boutade: ‘Nous avons toujours été modernes.’ Ik meen dat ergens in de 13de en 14de eeuw een verloren moderniteit verzonken ligt, een die zich nooit geactualiseerd heeft.

© Koen Broos

ONRUST: Is het culturele veld zich daar voldoende bewust van?

SCHMELZER: Met de verrechtsing merk je twee dynamieken. Wantrouwen jegens het nieuwe en inzet op het oude, dat waar we zeker van zijn. Ik vraag me alleen af: ‘Zijn we daar wel zo zeker van?’ Neem nu de grote tentoonstelling rond Van Eyck. Heel die commerciële hetze draagt niet bij aan de revisie op zo’n kunstenaar. We blijven steken op het detail en het mercantilistische perspectief. Dat laatste komt sommigen nog goed uit ook, want het legitimeert schijnbaar het neo-liberaal karakter van onze maatschappij. Van artistieke complexiteit of metaperspectief is geen sprake. Mijn laatste boutade: het is duidelijk dat Van Eyck de films van Hitchcock kende, dat hij Magritte gezien heeft en iets van Broodthaers wist. Zonder hen is Van Eyck ondenkbaar. Ik denk dat we meer op zo’n manier naar de geschiedenis moeten kijken. Niet het simpele lineaire perspectief.

ONRUST: Okay, bedankt. Stof tot nadenken, lijkt ons zo.

SCHMELZER: Trekt het op iets? Ik spreek veel te snel, hé? Als ik zo beelden zelf zie denk ik… Doe er maar wat colour grading bij.

ONRUST: Neen, neen, het was zeer interessant. Echt waar. Hier en daar wat montagewerk misschien.

SCHMELZER: Ik hoop het. Zeg, willen jullie nog een mandarijntje voor onderweg?

ONRUST: Euh… Awel ja.

***

Snelcursus ‘Polemiek binnen de oude muziek’

  • De term ‘oude muziek’ slaat vooral op muziek uit de middeleeuwen, renaissance en barok, die sinds de twintigste eeuw een hernieuwde interesse geniet.
  • Hamvraag is hoe je die moet uitvoeren. Partituren laten namelijk altijd ruimte voor interpretatie.
  • Aanvankelijk komt er weinig musicologische rigueur aan te pas en speelt men volgens de heersende, romantische opvatting.
  • Vanaf de jaren zeventig maakt de historische of authentieke uitvoeringspraktijk opgang. Een interpretatie wordt in zekere zin een (poging tot) reconstructie: muziek ‘zoals die ooit geklonken moet hebben’ met de correcte instrumenten, aantal muzikanten, frasering, tempo, zangwijze… Vlaanderen laat zich niet onbetuigd. Namen als Kuijcken, Van Immerseel, Herreweghe, Jacobs vinden internationaal weerklank.
  • Aan het begin van de eenentwintigste eeuw werpt Björn Schmelzer met Graindelavoix een knuppel(tje) in het hoenderhok. Het historicisme heeft voor hem afgedaan. Liever bemiddelt hij tussen het verleden en het heden, geïnformeerd maar zonder dogma’s.
Welcome to a place where words matter. On Medium, smart voices and original ideas take center stage - with no ads in sight. Watch
Follow all the topics you care about, and we’ll deliver the best stories for you to your homepage and inbox. Explore
Get unlimited access to the best stories on Medium — and support writers while you’re at it. Just $5/month. Upgrade