Terloops: van Schoonoord naar Sleen
Een zonnige zondagochtend in Schoonoord, Drenthe. Piepend en krakend dalen Reisgenoot J. en ik de trap af van het B&B waar we een dag eerder, na een inspannende vijfde etappe van het Pieterpad, waren aangekomen. Elke trede slaakt een vermoeiende zucht. Een zucht van de last die het statige huis draagt — een voormalig postkantoor uit 1908, een tijd waarin postverwerking merkbaar meer was dan een pakketpunt in de schaduw van een bouwmarkt of boekhandel.
Het B&B huisvest verschillende gasten, hebben we afgeleid uit het gestommel van afgelopen nacht, maar bij het betreden van de ontbijtkamer blijken we de enige eters te zijn. De eigenaresse — aanwezig, attent — is druk in de weer en presenteert een fijn ontbijt op kneuterig Engels porselein. De koffie is uitstekend. De banaan is overrijp maar floreert in mijn hutspot van yoghurt, cruesli en wat ik verder op tafel vind. De eieren zijn snotterig zacht en derhalve een gruwel voor Reisgenoot J. en een delicatesse voor mij.

We gaan op weg. Voor ons ligt de zesde etappe van het Pieterpad, een route die officieel vierentwintig kilometer bedraagt maar, dankzij onze verlenging van de vorige etappe, nu nog de helft omvat.
Goedgeluimd stappen we Sleenerzand in, het natuurgebied voorbij Schoonoord. Het is rustig. Het weer houdt zich staande. Hoewel we door bossen trekken die identiek zijn aan die van gisteren en déjà vu’s ons ruimhartig bekruipen, maken de zalige repen zon het aanzicht zoveel aantrekkelijker. Eveneens onverminderd aanwezig: modder, heel veel modder. Passerende mountainbikers — meestal mannen, enkele vrouwen, allen met vastberaden, soms verbeten gezichten — profiteren er ten volle van.
In het bos stuiten we op een wegwijzer van het Pieterpad. Pieterburen, ons startpunt, ligt 94 kilometer achter ons en de Sint-Pietersberg, ons eindpunt, 396 kilometer voor ons. Ernaast is een gezin — man, vrouw, drie jonge kinderen — aan het ontbijten; hun fietsen vormen een verdedigingslinie om de picknicktafel. We vragen of ze een foto willen maken van de wegwijzer en ons. De man voelt zich geroepen. Hij blijkt een reusachtige, vriendelijke Vlaming — een ludieke verschijning, versterkt door zijn driekwartsbroek en gepruts met de camera.
We pauzeren bij het Pieterpadmonument, opgericht ter nagedachtenis aan een van de bedenkers van het pad. Dan begint het te regenen; tergende, nare motregen. De grauwe lucht dompelt de bossen in somberheid en ernst. Treffend, zo blijkt als we even later langs een sober oorlogsmonument komen in herinnering aan een Britse bommenwerper die daar in 1943 was neergestort.
Het weer knapt op. De zon verjaagt de regen met zoveel daadkracht dat we opgelucht zijn als een frisse wind aanzwelt en de broeierigheid beteugelt. Terwijl we door de vlakte van Sleenerloo lopen, fraai gekleurd door mais- en aardappelvelden, spreken Reisgenoot J. en ik over de Pieterpadwandelaars die we tot nog toe hebben getroffen. J. is teleurgesteld: de wandelaars hebben geen gedeelde, bindende begroeting; hooguit een knikje in het voorbijgaan. Uit ervaring weet ze dat het beter kan: de wandelaars van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella groeten elkaar met “Buen camino”. Dus bedenken we een Pieterpadgroet. “Goede reis” is te algemeen en te obligaat. “Toffe tocht” allitereert aangenaam maar klinkt te populair. “Goede tocht” dan?
Voordat we onze vondst kunnen uitproberen op passanten arriveren we in Sleen, onze eindbestemming. Reisgenoot J. is blij. Ik ook.