Member preview

Hoe het boekje “Geluksvogels” geboren werd

Na mijn roman Alles ruikt naar chocola, het dagboek Atlasvlinders en de non-fictie titel ON/OFF: op zoek naar balans in digitale tijden bleek de tijd bijzonder rijp voor een bijzonder sprookjesboekje. Een leporello, dat inmiddels is gedrukt in een oplage van 150 exemplaren.

Het sprookje voor volwassenen heet Geluksvogels en gaat over een vogel op zoek naar zijn naam. Het kostte in totaal ongeveer 8 dagen om te maken en heeft kunnen rekenen op de hulp van Heel Veel mensen, waar ik ze erg dankbaar voor ben. Maar eerst het productieproces.

1. De inspiratie

Zonder input geen output. In dit geval werd ik geïnspireerd door het boek How to make books van Esther K. Smith. Prachtig vormgegeven en helder uitleggend wat voor verschillende soorten drukwerk je met de hand kunt maken.

How to make books (Esther K. Smith, 2012)

In dat boek vond ik de uitleg voor een leporello, een boek waarbij de rug ongelijmd is en het drukwerk zodoende in een cirkel neer te zetten is.

Ik kreeg het idee voor een verhaal dat zichzelf als een ouroboros in de staart bijt, geïllustreerd door vrienden en familie, mensen die me inspireren en die mijn vriendin en ik op de een of andere manier in een cirkel om onszelf terugvinden en ons inspireren.

Ik wilde dit met de hand maken omdat ik teveel tijd doorbreng voor een scherm en met niet-tastbare dingen, zoals ideeën. Ideeën, ook nog eens, die vaker niet dan wél het daglicht zien.

Nooit gerealiseerd dat het zo veel werk zou zijn, maar de tijd was rijp om eens de handen uit de mouwen te steken. Hieronder een impressie.

2. Met de dummy op stap

Dummy 1

Met een dummy klopte ik aan bij een buurman met een grijze walrussnor die veel typografische posters voor het raam had hangen. Hij verwees me naar het Grafisch Werkcentrum Amsterdam.

Het zou een droomplek blijken te zijn met ongelooflijk lieve ambachtsmensen. Ik kan het niet genoeg benadrukken: ga erheen en geniet van het warme bad dat liefhebbers van een ambacht je kunnen geven terwijl je met vrienden of collega’s iets moois maakt.

Het GWA was bereid om me te helpen deze leporello te maken. Wel waarschuwden ze me dat het veel werk zou worden.

Heel veel.

Typografisch Werkcentrum Amsterdam

3. Polymeren maken: printen, zwarten, belichten, borstelen.

Het rijmende verhaal over een vogel op zoek naar zijn naam schreef ik in enkele dagen. Tien vrienden en familieleden maakten vervolgens een illustratie. Ze kregen allen slechts enkele strofen om mee te werken, niet wetend waar het verhaal naartoe zou gaan.

Iedere illustratie moest in twee door mijn vriendin en mezelf gekozen kleuren opgemaakt zijn in indesign of illustrator op 9,5 x 10 cm zodat alle illustraties consistent zouden zijn.

De illustraties werden in twee afzonderlijke lagen door Jelle op een soort transparante films uitgeprint:

De eerste twee illustraties, opgemaakt in twee lagen

Deze films werden met “zwartmaker” nagespoten, zodat er geen enkel wit stipje over zou blijven en we geen belichtingsfoutjes zouden krijgen.

Maar gebruik niet te veel zwartmaker, want dan krijg je wolken in tinten zwart, zoals op onderstaande foto:

Daarna hebben we vel na vel op een UV-lichtgevoelige polymeren plaat gelegd. Een precies klusje, omdat de randen van ieder van de 12 vellen geen licht mogen lekken. Als je niet oplet, zou je kruimels mee kunnen belichten die straks je drukwerk bespikkelen. Alles wat belicht wordt, wordt immers hard en het onbelichte wordt een soort smurrie.

Na enkele minuten belichting haal je de vellen uit hun UV-oventje, de Houtra Polymero A4:

De rasters onder de illustratie zuigen de vellen en polymeren vacuüm…
…zodat er geen fouten (scheefheid, haartjes) meebelicht worden

Na het belichten wordt ieder vel in een bak met warm water gelegd, waar een zachte borstel gedurende enkele minuten de onbelichte resten van de polymeren platen wegborstelt. Zo ontstaat reliëf:

De eerste illustraties, belicht en schoongeborsteld.

Dat schoonborstelen is een stom klusje gebleken omdat de plaat die de polymeer vast zou moeten houden, zijn lading steeds losliet. Erg vervelend, omdat je dan de slijmerige resten van de polymeer met de hand moet los borstelen, en wel binnen een bepaalde tijd omdat de polymeren niet al te lang in dat bad mogen liggen, omdat er dan teveel weglekt, en de illustratie minder scherp zou worden.

(Dit is ook het eerste moment in het proces waar ik merkte dat handwerk een suboptimaal resultaat zou opleveren: sommige tekstvakjes leken nét wat dik gedrukter dan anderen, en ik kan dat alleen wijten aan de borstel-badder tijd.)

4. Plaatsen van de printplaten

Veruit het ingewikkeldste (en tijdrovendste) in het hele proces bleek het correct plaatsen van de eenmaal uitgeknipte polymeertjes op de mdf-platen zodat de Asbern ze goed kon bedrukken.

De Asbern.

Van de GWA site:

De Asbern is de Rolls Royce onder de persen. Ze heeft een drukbed van 50 bij 70 cm, elektrisch inktwerk en een traploos verstelbare drukcilinder.

Ik bedoel maar: een traploos verstelbare drukcilinder.

Op die Asbern hebben we, met veel hulp van Jelle en ook Esther, een kleine 200 vellen tweemaal bedrukt: eerst in blauw, daarna in zalmroze.

Hieronder zie je zo’n MDF-plaat, waarop we iedere illustratie en ieder tekstblokje loodrecht en op exacte afstanden tot elkaar moeten plaatsen. Waarom? Zodat het er mooi loodrecht uitkomt. Maar ook om de tweede drukgang zo makkelijk mogelijk en zo goed mogelijk aan te sluiten op de eerste drukgang.

Want de illustraties waren op zo’n manier opgemaakt dat de drukgangen puntscherp moesten aansluiten.

De eerste drukgang van de leporello, midden in het stelproces.

Achteraf bezien had ik de polymeren liever niet bijgeknipt, maar allemaal op hetzelfde formaat gehouden. En ze op een strak rooster neergelegd, dan hadden we misschien minder hoeven puzzelen met dubbelzijdig plakband, met proefdrukken en puzzelen. Maar dit was wel de beste manier om straks met zo min mogelijk variatie in de snijranden te hoeven werken.

Hoe dan ook: na veel, heel veel stellen, ophogen, verlagen, proefdrukken, verlagen, druk toevoegen, lukte het ons alles loodrecht klaar te leggen voor de eerste drukgang.

(5. Intermezzo: op welk papier?)

Papier heeft een looprichting. Hou maar eens een a4'tje vast. Door de houtvezels buigt het de ene kant beter op dan de andere kant. Dat betekent ook dat bij het drukken, je rekening moet houden met hoe het papier over de rol loopt. En al helemaal bij een leporello: dat moet immers goed blijven staan en niet kromtrekken.

De romige kleur papier die ik wilde hadden ze niet in de juiste looprichting bij het GWA dus ging ik op hun advies naar The Paper Factory. Ook daar weer hele fijne mensen, liefhebbers. De kleur en looprichting was te koop, ook in de juiste dikte, alleen niet in het juiste formaat voor de Asbern. Dus gingen we voor een nét minder mooi, witter papier. Soit.

6. De eerste drukgang voorbereiden

Ik telde 12 variabelen die je moet afstellen aan de Asbern, vooraleer je écht begint met je oplage. De hoeveelheid druk op de pers, de hoeveelheid inkt op de rollen, de plaatsing van de inktrollen, het toestellen van de drukrol, verhoginkjes of verlaginkjes van letterlijk vloeipapieren diktes, het ophogen van de afzonderlijke polymeren printplaatjes zodat ze allemaal evenveel druk krijgen, de tegendruk waarbij de Asbern “van druk afspringt” regelen, het druklood en clichéwit dat met de juiste druk moet zijn vastgezet, de hoogte van de gehele mdf-plaat en zo nog een paar.

Een ongelooflijk tijdrovend, pietpeuterig, specialistisch proces waarbij de expertise van Jelle en Rudi onontbeerlijk waren.

Mensen die in de jaren ’60 in een drukkerij werkten moesten een hoeveelheid expertise en scherpzinnigheid hebben waar je u tegen zegt.

De Asbern en twee experts.

7. De eerste drukgang van het binnenwerk

Het blijkt dat de ene illustratie meer oppervlak heeft dan de ander, waardoor die net iets meer druk krijgt dan de rest van de illustraties. Daardoor worden ze niet gelijkwaardig gedrukt, en zijn sommige tekeningen vager dan anderen.

We vragen aan Rudi of we mogen “toestellen”, dat wil zeggen extra dikte aanbrengen op de “legger”, zodat ook andere plaatjes net wat meer druk krijgen.

Toch zijn we nog niet tevreden, en roepen hulp in van andere experts:

Vooral de diktes van de tekstblokken verschillen teveel

Voor mij heeft het tot nu toe gevoeld als een eindeloze exercitie in geduld, waarbij ik steeds weer dacht: “nu kunnen we”. Maar dan kregen we de Asbern toch nog niet precies afgesteld. We hebben er op dit moment een dag of vier samen werken op zitten.

Maar toch: een avond later, met meer rust in de tent en even alles opnieuw nalopen, waarbij Jelle en Esther de honneurs waarnemen, liggen er dan toch echt 200 vellen, gedrukt in “Vollmeriaans blauw”.

8. De tweede drukgang van het binnenwerk

Zoals je vast ook kunt zien aan de foto hieronder begint de tweede drukgang met veel stellen, toestellen, plukken, rechtbuigen, duwen, lostrekken, vastplakken, een halve graad draaien, en zo door, een paar uur lang, aan alle polymeren plaatjes.

Je krijgt dus niet alles in één keer scherp op elkaar aansluitend:

Afbeelding Sander Litjens
Afbeelding: Fabian Sapthu
Afbeelding: Gilian Haro

Ook hier weer is stellen en toestellen en puzzelen het devies. Ik zal je de details besparen, maar ben me bewust van dat ik ook in deze fase –ondanks mijn diepgevoelde behoefte aan analoger leven en mijn gezonde scepsis tegen digitalisme, verlangde naar een softwareprogramma dat alles even strak trok. Gelukkig was daar dan weer Jelle, zonder wie ik he-le-maal nergens was geweest.

Want opeens:

Afbeelding: Merijn Verhagen

Het lukt, werkt, en rolt.

Samen met de eindredacteur druk ik de 2e ronde

9. Intermezzo: de inkt

Aan de rechteronderzijde van de foto hierboven zie je een zachtroze rol. Een van vier inktrollen van de Asbern, die elkaar steeds ininkten door langzaam, sensueel bijna, over elkaar heen te glijden.

Ook de inkt op die rol maken we met de hand. Met behulp van een kleurenwaaier die de mengverhoudingen weergeeft, mengen we klodders van de ene pot en de andere tot we zien dat de tint zeer dicht in de buurt komt van wat er door ons van te voren bedacht is.

Vollmeriaans blauw en Onbekend geel.

10. Vouwen

Ieder vel moest tweemaal gevouwen worden, voordat het gesneden kon worden. De eerste keer als richtlijn, de tweede keer voor de scherpte. En omdat de illustraties met de hand geplaatst zijn, moest dat vouwen extra precies gebeuren om de drukgangen waar mogelijk een millimeter te corrigeren. Daarvoor gebruik je een vouwbeen, en hulp van meerdere mensen die even een uurtje meebuigen. Fabian, Anne, Aster en Jelle: boks.

11. Snijden

Met behulp van een handsnijmachine en een automatische snijmachine vouwen en snijden we de vier stroken op de juiste formaten.

Na 160 x 5 keer vouwen, was het snijden een klusje wat in mijn ongeduld ook nogal eens scheef ging. Ik maakte namelijk te hoge stapeltjes, waardoor de aanzet van het mes enigszins scheef liep, tijdens het snijden. Gênant, wel. Daar krijg je later in het proces voor op je flikker.

Daarom ook, druk je meer exemplaren dan je nodig hebt.

12. Lijmen

Ik neem alle gesneden en gevouwen stroken mee. Thuis lijm ik alle 4 afzonderlijke stroken tot boekjes. De lijmranden lijm ik met gewone lijmstiften aan elkaar. En zo worden die stroken papier dan eindelijk een “echt” boekje.

Zonder omslag.

13. Het omslag

Ik lever 150 gelijmde exemplaren binnenwerk aan bij het GWA. Zij zijn zo vriendelijk het laatste stuk wegens omstandigheden in mijn afwezigheid te verzorgen: het drukken en lijmen van het omslag aan het binnenwerk.

Het omslag is overigens gedrukt op Munken papier, het binnenwerk op tekenpapier.

het omslag: Jarr Geerligs

En dan is het er.

Na zo’n acht dagen samen knutselen en pizza’s eten, onbestaanbare problemen oplossen, technisch doorploeteren en nog maar eens een avondje verder denken, na heel veel hulp van kunstenaars en ambachtslieden, ligt er dan toch echt een prachtige oplage van Geluksvogels. “Mijn” eerste zelfgedrukte boekje, tot stand gekomen met heel veel hulp dus, van derden.

Op sommige pagina’s is de inkt wat lichter. Op andere pagina’s staat iets nét een tikkie scheef. Zelfs met de beste wil van de wereld, en met enorm veel expertise, en ingebouwde trials en errors, zie je aan alles dat het handwerk is.

En daar ben ik best een beetje trots op.

14. Dank, dank, dank!

Dit idioot ambitieuze klein-grote project had niet tot stand kunnen komen zonder heel veel hulp van heel veel toffe mensen. Allereerst Jelle. Zijn geduld en optimisme is deerlijk op de proef gesteld door mijn ongeduld. Ook heb ik hem van te voren gewaarschuwd voor mijn twee linkerhanden– en die waarschuwing bleek niet overbodig.

Rudi, Florence en natuurlijk Corine van het GWA. Stuk voor stuk hebben ze me op een buitengewoon vriendelijke, attente en constructieve manier geholpen. Ik kan de lezer niet genoeg aanbevelen daar eens aan de slag te gaan en onder hun gidsing en begeleiding je handen vies te maken terwijl je iets moois laat ontstaan.

Dan de kunstenaars.

Jarr Geerligs, wiens elegante werk nu alweer twee omslagen siert,
Fabian Sapthu, die een even geduldige als strakke glas-in-lood vogel maakte,
Gilian Haro, wiens dansende docentenvogel ook Nederlands kan,
Demy Sapthu, wiens vogel Jelle de mooiste vond (en het lastigste te stellen was)
Lars Reinboud, die met de hand een heerlijk cartooneske bakker maakte,
Sander Litjens, die zijn zachtmoedige vos maakte met (als enige) adequate overlap,
Merijn Verhagen, die de liefste omhelzing maakte in jaren,
Johan Reinboud, wiens frivool kristallen gezinnetje ingewikkeld aan te sluiten was,
Frenk Meeuwsen, wiens stoere vos een aangename leegte meebracht,
HarmJan Roeles, wiens supernova het begin was, en het einde.

En tot slot Aster Reinboud, die me hielp met de eindredactie. En met een ander, óók nogal ingrijpend project. We zijn een stelletje geluksvogels.

Dank jullie wel.