Oerol, het eiland en de vluchtheuvel.

“Hee hoi!”, en een stralende lach van de visserman net achter de brug. Ja, ik herkende hem ook, hij zit daar vaker. Misschien had ik daar wel eens een vooroordeel over gehad wanneer ik hem voorbij was gefietst. Vissen in een vaart (in een stad!), is natuurlijk geen vissen in de Waddenzee. Iets wat ik vroeger met mijn vader en mijn neven deed. En ineens door zijn aanstekelijke begroeting zie ik een man die plezier heeft in wat hij doet en ik fiets vrolijker door. De kilometers van de dagen ervoor zitten duidelijk nog in mijn benen. Mijn eigen fiets trapt heel anders dan de fiets met versnellingen op Terschelling. Oerol.

“Daar heb je de twijfelaars.”, zegt een dame in bloemetjesjurk en een legging tegen haar vriendin met een pittig kort kapsel. Ik zit in het duinzand niet ver bij ze vandaan en ik vang een flard van het gesprek op. Ze kijken naar twee fietsers. “Daar moet je niet achter fietsen, die hebben geen idee welke kant ze opgaan. Gaan zo ineens naar rechts.” “Of links.”, antwoordt de ander. Ze knikken instemmend. “Zijn hier roofvogels?” “Nee, dat is volgens mij een kauw.” Een meisje voor me wijst naar de zwarte vogel in de duinen. “In een gezin leer je niet delen.” Daar moet ik even over nadenken wanneer de twee vrienden me passeren op het strand. “Het is wel een wit feestje.” “Veel oude mensen ook.” Gelukkig maar, want soms lijkt het alsof we oudere mensen verstoppen. “Kijk, daar heb je dat meisje met nepborsten weer.” “Gefinancieerd door schoonmoeder.” “Hoe weet je dat?” Oerol zinnen, oerol woorden. Er wordt wat afgeluld. Veelzeggend en weinigzeggend. En het zwijgen van degene die luistert; iedereen wil graag begrepen en gehoord worden. Het eiland is het eiland, het eiland, altijd het eiland. Wanneer ik langs de haven fiets hoor ik flarden van George en Eran Lossen De Wereldvrede Op. Deel III. Het specifieke geluid van de donkere stem van George en het wat hoger liggende van de ander. Dag na dag, flarden, de zinnen volgen elkaar in een hoog tempo op en ik bedenk me dat ze haast hebben, haast om het werkelijk op te lossen. Hoeveel gesprekken ik ook bedoeld of onbedoeld opvang, het eiland krijgt de meeste lof: “Als je hier bent laat je alles los.”, hoor ik regelmatig. In de stem klinkt verwondering door. “Het begint al op de boot.”

“Als je kon zien waar ik nu zit. Zo mooi. Echt. Kunnen genieten van de eenvoudige dingen! Zonder ze te beredeneren. Het is een geschenk wanneer je van simpele dingen kan genieten zonder dat het een ballast wordt. Ervaren zoals ze zijn. Zon op. Uitzicht. Temperatuur. Geur. Eiland. Zee. Niet proberen te duiden en te vergelijken of te verwachten want dan gaat het stuk. Drie seconden. Tussen toen en later. Drie seconden. Nu.”

Misschien is het ook wel de beleefdheid, is het de schoonheid van het eiland die deze vriendelijkheid van de vreemdelingen oproept. Het ontstaat bijna vanzelf. Een collectief begrip: een weten dat we aangewezen zijn op alles wat ons omringt… Vaak hoor ik: “Gaat u maar voor.” en “Dank je wel.” Mensen wijzen elkaar de weg. Tja, ik weet wel waarom ik hier graag kom. Ik loop langs het wad, laagwater, de zee is ver, ruik het slib. Het is een warme avond en ik moet me een weg banen door de velden van muggen die in clusters twintig centimeter boven het gras vliegen. Ze lijken te dansen. Ze vliegen alle kanten op in een open ruimte; speels en zonder enige logica, met krankzinnige wendingen. Ik denk aan de mooiste zinnen die ik vandaag hoorde, geschreven door schrijfster Hannah van Wieringen, geïnspireerd op het boek De Wand, gespeeld door Harriet Stroet:

terwijl: anders leven was mogelijk geweest / er is niets verstandiger dan de liefde / die maakt het leven draaglijker voor wie / liefheeft en voor wie bemint wordt / we hadden dat moeten inzien /we hadden dat moeten durven toelaten

Terug in de stad, is het heel wat lastiger. Ook in mijn hoofd wordt het eerder een rommeltje en verlang ik naar de vluchtheuvel. Terwijl ik voor een zaal met ouders spreek -ouders wier kinderen ik begeleid-, zie ik vanuit mijn ooghoek iets helemaal misgaan: een jongen struikelt over een tas, ik hoor “Kanker…” en nog iets. De broer van een leerling gaat bijna op de vuist met de grootmoeder van een andere leerling. Twee vaders springen op en voor het werkelijk escaleert, loopt de broer de zaal uit. Een moeder geeft me een lief knikje en ik pak de draad weer op. “Ga terug naar jouw land.” “Ga jij lekker terug naar jouw land!”, de snelheid waarmee het conflict zich vastklampte, het blijft steken in mijn hoofd. Zoals er meer blijft steken in mijn hoofd. Hart. Buik. Kalm, ik ben een eiland. Ik focus me op de gezichten van de kinderen, aandachtige kinderen. Kijk in hun ogen. Ik zie vriendelijke gezichten. Trotse koppies. Het is de vriendelijkheid die vastberaden uitwaaiert over de hele zaal. Kalm voorwaarts. Er is niets verstandiger dan de liefde.

Of misschien wel het vissen in de vaart.

Like what you read? Give Sieta Keizer a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.