Kasteel


Ritmisch het geluid van schoppen die nat zand omkeren. Ze ploegen met een concentratie dat hen doet vergeten dat het maar een spel is. Dat ze zich moeten insmeren. Dat er appeltjes gegeten moeten worden.
De zee komt eraan. Even een relletje wanneer de een het hoopje zand dat de ander net tot ophaalbrug gemetst had over zijn rug keilt. Wat excuses, overleg, een nieuw plan, het werk wordt verdergezet, de collaterale schade is immers minimaal.
Wat later zitten ze in de put, in de ene hand een sandwich vakkundig gekneed tot boule de sable — een maritieme delicatesse van de koningin der badsteden- , in de andere de schop. De plicht roept.
Dan, wanneer het water de grachtjes binnenloopt, gaan ze zitten kijken. De zon zakt in de zee, de zee zakt in het zand. Het zand dat zij omploegden.
Ze schoffelen het strand en noemen het ‘kasteel’.