
DOMINO DAY
Het is geen droge klap, die me doet schrikken. Het geluid heeft iets papperigs, alsof iemand met een honkbalknuppel tegen een overrijpe meloen aan slaat. Met een bonkend hart draai ik me om.
In de keuken staat een onbekende man in sportkleren.
En Gijs. Hij houdt geen honkbalknuppel maar een hockeystick vast. Ik kijk naar het hoofd van de man en word een beetje misselijk. Zijn blik is verbaasd, alsof hij nog niet goed begrijpt wat hem zojuist is overkomen. Hij wankelt en komt met gestrekte armen op me af. Straks valt hij nog boven op me! Ik deins terug.
Slecht idee. Ik sta gevangen met mijn rug tegen het kookeiland en kan me alleen nog schrap zetten terwijl de man zich in een innige omhel- zing aan me vastklampt. Zijn gezicht komt zo dichtbij dat ik zijn zure adem ruik en dan schrik ik me voor de tweede keer het leplazarus, want er ontsnapt een loeiharde zucht uit zijn keel.
Meteen verslapt zijn greep. Hij glijdt van me af, langs me heen naar be- neden. Zijn knieën raken de vloer en hij zakt opzij totdat zijn lichaam zwaar op de tegels stort. Er schiet iets uit zijn hand. Een klein zwart voorwerp dat eerst nog een eindje doorglijdt voordat het blijft liggen. Dan is het stil. Het soort stil waar je kippenvel van krijgt.
Sta op, gast! denk ik. Ik wil dat je opstaat en praat en…
Er stroomt bloed langs zijn slaap!
Nu word ik pas echt misselijk. Dit is niet goed. Dit is helemaal niet goed.
Mijn ogen vluchten weg. Naar Gijs, die nog steeds in dezelfde houding bij de deuropening staat. Hij ziet eruit als een wassenbeeld bij Tussauds.
6
Achter hem klinkt het flipflap van Desies slippers. Ze komt aanlopen door de hal. De puntjes van haar haren druppen nog na van het zwem- men. Ze heeft haar shirt en short weer aangetrokken. Over haar natte bikini heen, aan de vochtplekken te zien.
‘Niet binnenkomen,’ weet ik op de een of andere manier uit mijn keel te persen.
Maar Desie is al in de keuken. Haar blik gaat van Gijs naar de hockey- stick en dan naar de man. ‘Wat heb je gedaan, sukkel?’ roept ze.
Er gaat een siddering door het lijf van Gijs en dan heeft hij ook zijn stem terug: ‘Hij is toch niet…’
‘Natuurlijk niet,’ zeg ik vlug.
‘Laten we het hopen.’ Desie recht haar rug, haalt diep adem en gaat op haar hurken bij de man zitten. Ze legt haar vingers in zijn zweterige hals.
‘En?’ vraagt Gijs. ‘En?’
‘Hou je mond,’ snauwt ze. ‘Anders kan ik me niet concentreren.’
Nu zie ik het bloed op mijn trui pas: een ronde vlek met een vage streep als staart waardoor het net een komeet lijkt.
‘We moeten een ambulance bellen!’ Mijn stem doet raar, de woorden vliegen alle kanten op. ‘We moeten…’ Ik zoek naar mijn telefoon, maar kan hem van de zenuwen niet vinden.
‘Laat maar.’ Desie trekt haar vingers terug en komt omhoog. ‘Het heeft geen zin meer.’
Niet zeggen! Ik wil mijn oren dichtstoppen en keihard schreeuwen. Ik wil dat we weer met zijn drieën op de bank zitten en dat dit niet is gebeurd.
Desie kijkt naar Gijs met ogen als donderwolken.
‘Je hebt hem vermoord,’ zegt ze.
Volgens het klokje op de magnetron is het nog maar een paar uur ge- leden dat we ons op de schommelbank achter hun huis zaten te vervelen. Het voelt als een eeuw.
Desie had haar benen opgetrokken en praatte tegen het schermpje van haar telefoon: ‘Stelletje sadisten. Mij een beetje lekker maken.’
‘Wie?’ vroeg Gijs.
7
‘Die lui van D-reizen.’ Ze liet ons een reclame zien: Toe aan een zonva- kantie? Er stond een fotootje bij van een bungalow aan een zwembad met ligstoelen en palmbomen.
Ik durfde niet te zeggen dat zulke vakanties bij ons thuis vroeger gewoon waren. In de tijd dat pa nog leefde en goed verdiende met zijn eenmansbedrijf. Toen ma en ik nog niet naast Gijs en Desie woonden, maar in een halfvrijstaand huis, waar elke week een werkster onze troep kwam opruimen.
Tegenwoordig maakte mijn moeder zelf andermans huizen schoon. Gijs haalde zijn bonkige schouders op. ‘We kunnen toch in het Vlinderbad gaan zwemmen?’
‘Je snapt er echt niks van, hè?’ Desie hield haar toestel omhoog. ‘Het gaat om het totaalplaatje. Hier zijn geen krijsende kinderen die stiekem in het water piesen. Dit is op een luchtbedje dobberen en fruitcocktails drinken met zo’n parapluutje erin.’
Op mijn netvlies verscheen een selfie van Desie in bikini.
‘Ik kan zoiets wel regelen.’ Het floepte eruit voordat ik erover had na- gedacht.
‘Zal wel,’ zei Gijs.
Desie tilde haar zonnebril even op en keek me vanonder de glazen aan. ‘Echt?’
Ik dacht aan mijn moeder, die al een rolberoerte zou krijgen bij het idee alleen. En toen aan de verpletterende indruk die ik op mijn nieuwe vrienden zou maken.
Sorry, ma.
‘Echt,’ zei ik.
‘Waar dan?’ vroeg Gijs.
‘Dat zul je wel zien.’ Ik sprong over de heg en liep naar onze achterdeur. ‘Zo terug.’
Mijn moeder bewaarde de sleutels in een broodtrommel van Minnie Mouse, waarmee ze eventuele inbrekers op een dwaalspoor hoopte te brengen. Hij stond in een van onze keukenkastjes, verborgen achter een muur van borden.
Ik tilde het deksel eraf en liet de inhoud op het aanrecht kletteren. Vijf voordeursleutels, elk met een eigen label. Ma had er voor de veiligheid
8
geen namen of adressen op gezet maar dagen van de week.
Ik zocht de sleutel met woensdag erop. Dan poetste mijn moeder bij de familie Westerling. Hun bungalow — met binnenzwembad! — stond aan de rand van de stad. Het bos was hun achtertuin. Mijn moeder had me er wel eens heen gestuurd om iets af te geven. Jammer genoeg was ik niet verder dan de hal gekomen, maar als ik ma’s verhalen mocht geloven…
Ik deed de sleutel in mijn broekzak, schoof zijn broers en zusjes in de trommel en verstopte Minnie weer achter de borden. Nu de code nog. Vier van de vijf huizen werden beveiligd met een alarm. Omdat de codes nogal eens veranderden, kon ma ze onmogelijk onthouden. Tegen haar principes in had ze toen toch maar een spiekbriefje gemaakt. Het zat verstopt in een boek over aquariumvissen. Ik keek bij de W van Westerling en fotografeerde de cijferreeks met mijn telefoon.
We gingen met de scooter van Gijs. Hij reed en Desie en ik zaten achterop. Ze schoof zo dicht tegen me aan dat ik haar borsten in mijn rug voelde prikken. Mijn rugzak, gevuld met handdoeken en een pak bosvruchtensap, hing bij Gijs op zijn buik.
‘Daarin!’ brulde ik in zijn oor en ik wees naar een geasfalteerd bospad. Achter een coniferenhaag doemde de bungalow op. De jaloezieën aan de voorkant waren gesloten en de buitenlamp naast de voordeur brandde. ‘Is dit het?’ schreeuwde Gijs, terwijl hij vaart minderde.
Ik hield mijn hand in zijn blikveld en stak mijn duim op. Toen stopte hij helemaal en zette de motor af. ‘Volgens mij is er niemand thuis.’ ‘Klopt. Ze zijn met vakantie.’ Ik wachtte tot Desie was afgestapt en liet me toen ook van het zadel glijden. ‘Je kunt je scooter het beste aan de zijkant parkeren. Dan staat hij uit het zicht.’
‘Hoezo uit het zicht?’ vroeg Gijs nerveus.
‘Je wilt toch niet dat hij gejat wordt?’ Ik diepte de sleutel op uit mijn broekzak. ‘Op zo’n verlaten plek weet je het maar nooit.’
Gijs leek gerustgesteld. Hij verdween met de scooter om de hoek van het huis. Desie bewonderde de met bladgoud versierde zonnewijzer op het gazon en de stenen leeuwtjes langs het pad. ‘Ik wist niet dat je zulke rijke vrienden had,’ zei ze.
9
‘Heb ik ook niet.’
‘Familie dan.’
‘Ook niet.’
Haar wenkbrauwen wipten omhoog. ‘Hoe kom je dan aan die sleutel?’ ‘Van mijn moeder geleend. Dit is een van haar schoonmaakadressen.’ ‘Een zwembad én een werkster.’ Desie trok een gezicht van: dat wil ik ook.
We liepen samen naar de voordeur. Hoewel ik zeker wist dat de familie Westerling nog een week zou wegblijven, voelde ik me een tikkeltje gespannen. Ik bedoel, het was toch een soort van inbreken en als ma erachter kwam…
Desie had fantastische voelsprieten. Of ze kon gedachten lezen.
‘Weet je moeder eigenlijk wel dat we hier zijn?’ vroeg ze.
‘Ben je gek!’
Desie grinnikte. Ik zag iets van bewondering in haar blik en dat was precies wat ik nodig had. Bovendien, wat kon er nou helemaal gebeu- ren? Zolang we alles netjes achterlieten…
Ik stak de sleutel in het slot en deed open. De reusachtige hal had een marmeren vloer. Een tafeltje, een staande kapstok en een paraplubak met een hockeystick erin waren de enige meubelstukken.
‘Gave plek voor een feestje,’ zei Gijs, die ineens naast me stond. Hij duwde de rugzak in mijn armen en liep verder de hal in. Meteen klonk er een zenuwslopend gepiep.
‘Blijf staan, mafkees.’ Ik plantte mijn tas op het tafeltje. ‘Het alarm moet eerst af.’
Het kastje hing naast de deur. Ik keek de code af van mijn telefoon en toetste hem in. Nu nog even op oké drukken…
Godzijdank. Het piepen stopte.
‘Zwemmen!’ riep ik uitgelaten.
‘Welke deur?’ vroeg Gijs.
Ik had geen idee en wees de dichtstbijzijnde aan.
Fout gegokt. Hij kwam uit op een hypermoderne keuken met lampen die op ufo’s leken.
Gijs fronste zijn voorhoofd. ‘Je weet niet waar het zwembad is?’ ‘Wat maakt dat nou uit,’ zei Desie. ‘Ik wil best een rondleiding.’
10
‘Maar…’ begon Gijs.
‘Zeur niet zo. Raza’s moeder werkt hier en die vindt het goed.’ Desie kon liegen zonder rood te worden.
‘Een rondleiding dus.’ Als een tourgids ging ik voorop. De woonkamer was vier keer groter dan die van ons en er hingen bijna net zo veel schilderijen als in een museum. De slaapkamer had een aangrenzende badkamer en…
‘Een inloopkast!’ Desie was ons acuut vergeten. Ze schopte haar slippers uit en stapte in schoenen met idioot hoge hakken.
Gijs en ik keken elkaar aan. Meiden!
Omdat het behoorlijk benauwd was, deed ik mijn trui uit. Desie leek nergens last van te hebben. Ze paste een glitterjurk over haar eigen kleren heen en probeerde daarna een paar tassen uit, die aan haar kreten te horen nogal bijzonder waren. Toen ontdekte ze een la met sieraden. Armbanden, oorbellen, kettingen. Voor de lol hing ze er eentje om mijn hals.
‘Doe normaal.’ Ik wilde hem afdoen, maar ze trok mijn handen weg. ‘Kijk dan, je lijkt wel een gangster.’ Lachend duwde ze me naar de spie- gel.
Er klonk een klap.
‘Wat was dat?’ vroeg Gijs geschrokken. ‘De voordeur?’
Ik probeerde mezelf te kalmeren. Ma kon het niet zijn, want ik had de sleutel.
Maar toen zei Desie: ‘Misschien zijn de bewoners eerder teruggekomen vanwege een sterfgeval of zo.’
De inloopkast veranderde nu echt in een sauna. Als ik betrapt werd… ‘Wegwezen!’ Ik griste mijn trui van de vloer en trok hem bliksemsnel aan.
Desie ruimde vlug een nog rondslingerende tas op, voordat we ons naar de slaapkamer haastten. Ik rukte aan de raamklink. Hij zat op slot!
‘Ik denk dat je deze nodig hebt,’ zei Desie. ‘Hij lag in het nachtkastje.’ Ik kreeg het sleuteltje met moeite in het gaatje. Ja, open!
‘Waarom doen we eigenlijk zo paniekerig?’ bedacht Gijs ineens. ‘Je moeder…’
Mirjam Mous
‘Ze weet niet dat we hier zijn,’ fluisterde ik.
‘Maar Desie zei…’
‘Gast.’ Ik zat al op de vensterbank met mijn benen buitenboord. ‘Moet dit nu?’
Hij pulkte aan het vel bij zijn duimnagel, maar hield verder zijn kop. Ik tuurde naar het bos. Vanaf het zandpaadje tussen de bomen kon je de achterkant van het huis zien. Ik hoopte dat er geen wandelaars of joggers voorbij zouden komen en zette mijn voeten op de grindtegels. Desie en Gijs stapten ook uit het raam.
‘Gelukkig is het gelijkvloers,’ zei Desie.
Dat de scooter aan de andere kant van het huis stond geparkeerd, was minder gelukkig.
Gijs en ik drukten ons dicht tegen de gevel aan en doken in elkaar bij elk raam dat we passeerden. Desie kon het niet laten om overal uitgebreid naar binnen te gluren.
Toen we bij het zijraampje van de hal kwamen, bleef ze staan. ‘Die klap die we daarnet hoorden…’ Ze keek ons aan alsof ze een mop ging vertellen. ‘Dat was dus Raza’s rugzak. Hij is van het tafeltje gevallen.’ Zelfs mijn kaakspieren ontspanden. Ik kreeg de slappe lach.
‘Kunnen we toch niet beter naar huis gaan?’ vroeg Gijs.
‘Eerst zwemmen,’ zei Desie.
Ma had niets te veel gezegd. De kelder was omgetoverd tot een tropisch zwemparadijs met een blauwe mozaïekvloer en kunstpalmen in terracottapotten. Helemaal achterin stond een uit marmer gehouwen Neptunes met een jaloersmakende sixpack.
‘Coole badmeester.’ Desie trok haar kleren uit. Ik zag nog net dat haar bikini rood was voordat ze juichend in het water sprong.
‘Doe nou zachtjes,’ smeekte Gijs.
‘Relax.’ Ik wierp hem een handdoek toe. ‘Ga jij vast zwemmen, dan haal ik de glazen.’
Hij keek me niet-begrijpend aan tot ik het pak bosvruchtensap liet zien. ‘Het gaat om het totáálplaatje,’ deed ik Desie na.
Toen kon er eindelijk een piepklein lachje af.
Terwijl ik in de keuken naar glazen zocht, kwam ik een pot kersen
12
tegen. En daarna ook nog een zak cocktailprikkers met zilverkleurige sliertjes eraan. Bij gebrek aan parasolletjes…
Ik stalde alles uit op het kookeiland en deed mijn best om niet aan de afkeurende blik van ma te denken, maar aan de punten die ik bij Desie zou gaan scoren, toen er achter mij een geluidje klonk. Ik wilde me omdraaien.
‘Kijk voor je!’ snauwde een man.
Ik staarde naar de muur en durfde amper adem te halen. ‘Meneer Wes- terling?’
‘Als je omkijkt, maak ik je dood.’
Dood. Het voelde alsof er een rat over mijn rug rende. Meteen daarna hoorde ik die verschrikkelijke klap en draaide ik me in een reflex toch nog om.
‘Het ging per ongeluk! Ik wilde alleen maar helpen.’ Gijs kijkt me radeloos aan met de hockeystick nog altijd in zijn vingers geklemd alsof het ding aan hem zit vastgelijmd. ‘Hij was gewapend en hij zei dat hij je wilde doodmaken.’
Desies ogen scannen de man. ‘Ik zie geen wapen.’
Het zwarte voorwerp dat daarnet uit zijn hand is geschoten! Ik zoek onder de bar.
‘Bedoel je dit soms?’ vraag ik.
Het is geen wapen, maar de afstandbediening van een tv.
Gijs slaakt een kreet. Hij smijt de hockeystick van zich af en begint hartverscheurend te huilen. De tranen glijden over zijn wangen en druppen van zijn kin. Zijn hoofd wordt rood en lelijk en ik wil mijn arm om zijn schouders leggen om hem te troosten, maar ik durf niet, dus blijf ik onhandig naast hem staan, terwijl ik tegen mijn eigen tranen vecht.
‘Kennen jullie hem?’ vraagt Desie.
‘H-Het is…’ Gijs komt niet uit zijn woorden.
Een jogger? Hoewel ik het bloedheet heb, moet ik klappertanden. Meneer Westerling traint voor de halve marathon, zegt ma.
Desie rukt een stuk papier van de keukenrol die op het kookeiland staat en geeft het aan Gijs. ‘Een inbreker?’
13
Hij knikt en snuit zijn neus.
Dan is het Westerling dus niet! Alleen…
‘Hoe weten jullie dat zo zeker?’ vraag ik.
‘De tv in de hal,’ antwoordt Desie alsof dat alles verklaart.
‘Ja, en?’ Ik kijk naar Gijs.
‘Ik ging naar de wc. Nou ja, dat was het plan.’ Hij praat met horten en stoten. ‘Ik was amper in de hal of die man kwam binnen. Met een tv in zijn armen. Hij stond met zijn rug naar me toe en zag of hoorde me niet. Maar jou wel. Zodra hij je met de kastjes hoorde slaan, zette hij de televisie neer en sloop naar de keuken. Ik piste bijna in mijn broek van angst, want ik kon je niet waarschuwen.’ Gijs maakt een prop van het papier. ‘Toen zag ik de hockeystick en…’
We kijken naar de man en zwijgen.
‘Het slaapkamerraam,’ zegt Desie dan.
‘Denk je dat hij daarlangs naar binnen is gekomen?’ vraag ik.
‘Hoe anders?’ Ze knikt naar zijn sportschoenen. ‘Waarschijnlijk is het niet eens een echte inbreker. Was hij in het bos aan het joggen, zag hij het raam openstaan en kon de verleiding niet weerstaan.’
Gijs’ lip trilt. ‘Dus als we het meteen dicht hadden gedaan…’
Was hij nu niet dood. Ik heb zin om te huilen. Had ik mijn moeders sleutel maar nooit geleend!
Ma…
De omvang van de ramp dringt langzaam tot me door. ‘Als de familie Westerling ontdekt dat we hier zijn geweest, wordt mijn moeder ontslagen!’
‘Zij leeft tenminste nog,’ mompelt Gijs.
In gedachten zie ik ma weer als een zombie op de bank zitten.
‘Ze mogen er nooit achter komen,’ zeg ik dringend. ‘De Westerlings hebben aan hun vrienden en kennissen verteld dat mijn moeder hard werkt en betrouwbaar is. Door hen heeft ma nu een fulltime job. Maar als ze weten dat ik stiekem hun sleutel heb gebruikt…’ Er komt een rare snik uit mijn strot. ‘Straks komt mijn moeder nooit meer aan een baan. We hebben al eerder schulden gehad en toen werd ze vreselijk depressief.’ ‘Rustig nou maar.’ Desie geeft een kneepje in mijn arm. ‘We lossen het wel op.’
14
Ze kijkt erbij alsof het om een kruiswoordraadsel gaat.
‘Tuurlijk,’ zegt Gijs moedeloos. ‘Als jij hem even tot leven wekt.’
Desie reageert niet. Ze speurt om zich heen, terwijl ze met haar nagels op het blad van het kookeiland tikt. ‘Ik denk dat ik het weet.’
‘Zal wel,’ zegt Gijs.
‘We laten de jogger met rust,’ zegt ze onverstoorbaar. ‘Maar verder zetten we alles terug op zijn plaats. Niets mag erop wijzen dat we hier zijn geweest. We doen het alarm weer aan en de deur op slot. En daarna tikken we een ruit in, zodat het lijkt alsof er echt is ingebroken.’
Ik ben twee tellen opgelucht.
‘En hoe verklaar je dit dan?’ vraagt Gijs met een knikje naar de man. ‘Weet ik veel.’ Desie klakt geërgerd met haar tong. ‘Hij is uitgegleden en kwam toevallig op zijn hoofd terecht.’
Gijs pulkt weer aan zijn duimnagel. ‘Als de politie een dode jogger vindt, halen ze het hele huis overhoop. Sporenonderzoek, vingerafdrukken…’
Ik snap het probleem niet. ‘Wat geeft dat nou? Ze vinden alleen een match als je vingerafdrukken in een of andere database zitten.’
Gijs krijgt rode vlekken in zijn hals.
‘Wat?’ vraag ik.
‘Hij heeft een tijdje in een jeugdinrichting gezeten,’ antwoordt Desie in zijn plaats.
Ik voel mijn mond openzakken. ‘Wat heb je…’
Gijs trapt de hockeystick weg. Ik schrik van zijn uitval en krimp in elkaar.
‘Doe normaal,’ snauwt Desie en even denk ik dat ze mij bedoelt. ‘Te veel blowen en foute vrienden met domme ideeën,’ vervolgt ze dan rustiger. ‘Zullen we het daar maar op houden.’ Het is geen vraag, maar een mededeling.
Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar Gijs. ‘We kunnen alles schoonmaken,’ stel ik voorzichtig voor. ‘De vloeren, alle deurklinken…’ ‘Onbegonnen werk,’ zegt hij. ‘Door die rondleiding van jou zijn we overal geweest. En trouwens, we zouden meteen álle vingerafdrukken wissen. Ook die van de bewoners. Dan wordt de politie dus pas echt argwanend.’
15
Mirjam Mous
Desie tikt weer met haar nagels. Waarschijnlijk kan ze dan beter na- denken, maar bij mij werkt het vooral op mijn zenuwen.
‘Ik weet het,’ zegt ze. ‘Maar nu echt.’ Ze duwt met haar voet zachtjes tegen het lichaam. ‘Hij moet weg. Als er geen dode jogger in de keuken ligt, zijn onze problemen allemaal in één keer opgelost. Al hebben we duizend vingerafdrukken achtergelaten… Het maakt niks uit, want niemand gaat er naar zoeken.’
Hoe komt ze erop? Ik voel bewondering maar ook afgrijzen. ‘Je wilt met een lijk gaan slepen?’ vraag ik. ‘Serieus?’
‘Als jij een beter idee hebt,’ zegt ze.
Ik heb geen beter idee.
Desie knielt voor de tweede keer bij de man en voelt in de zakken van zijn joggingbroek.
‘Wat doe je?’ vraagt Gijs.
Ze haalt een sleutelbos naar boven. ‘Hij is met de auto.’
Was, denk ik.
Ze knikt naar Gijs. ‘Jij gaat het slaapkamerraam dichtdoen en ruimt alle spullen op. Raza en ik gaan intussen de auto zoeken.’
De voordeur valt met een klikje achter ons dicht. Mijn benen willen rennen, zo ver mogelijk van die onheilsplek vandaan. In plaats daarvan loop ik over het pad achter Desie aan, alsof ik met een onzichtbaar touwtje aan haar vastzit.
‘Als hij ging joggen, staat zijn auto vast in de buurt,’ zegt ze. Inderdaad. Nog geen vijftig meter verderop zien we een paar auto’s staan. Zodra Desie op de afstandsbediening drukt, praat een Renault Megane — piep piep — tegen ons terug.
‘Instappen,’ zegt ze.
‘Je hebt geen rijbewijs.’
‘Maar wel bijna.’ Ze maakt het portier open. ‘Theorie heb ik al gehaald.’ Ik schuif met tegenzin op de passagiersstoel. ‘Als je maar niemand aanrijdt. Nog meer slachtoffers kan ik niet aan.’
Ze zit al achter het stuur en start de motor. Het duurt even voordat ze de achteruit heeft gevonden, maar daarna rijdt ze moeiteloos weg. Ze slaat het geasfalteerde bospad in en parkeert voor de bungalow.
16
‘Nu komt het moeilijke gedeelte,’ zegt ze. ‘We moeten de jogger in zijn auto zien te krijgen. O, en Gijs mag hem niet aanraken.’
Vanwege vingerafdrukken en dna en zo. Ik knik dat ik het begrepen heb, maar van binnen gruw ik. In de garage vind ik een kruiwagen. Ik breng hem naar de keuken en zet hem naast de dode man.
‘Pak jij hem bij zijn oksels,’ zegt Desie. ‘Dan neem ik zijn benen.’ Puffend en kreunend tillen we hem op.
Gijs geeft ons aanwijzingen. ‘Hoger, hoger. Ja, en nu opzij en dan neer- leggen.’
De benen van de jogger hangen uit de kruiwagen. Desie trekt ze een voor een omhoog, vouwt ze in een hoek en zet ze klem met de sportschoenen tegen de rand. Ik vraag me af hoe lang het duurt voordat het lichaam van een dode stijf wordt.
‘Rijden maar,’ zegt Desie. Ze loopt met me mee om het hoofd van de jogger te ondersteunen.
We stoppen even bij de voordeur. Buiten is niemand. Ik hoor een merel overdreven vrolijk fluiten. Stom beest.
De voorportieren van de Renault staan open. Ik manoeuvreer de krui- wagen langs de stenen leeuwtjes en zet hem aan de passagierskant. Dan kruip ik via de bestuurderskant de auto in, klauter over de stoelen en haak mijn armen weer onder de oksels van de man. Zijn hoofd rust op mijn lichaam als ik hem naar binnen sleur en ik ben bang dat ik over hem heen zal kotsen. Intussen sjort Desie aan zijn benen.
‘Haal dat ding weg, sukkel,’ snauwt ze tegen Gijs.
De kruiwagen, bedoelt ze.
Hoe we het voor elkaar krijgen, weet ik niet, maar de jogger zit ineens op de passagiersstoel. Met bevende handen maak ik zijn gordel vast. Nu hij rechtop zit, ziet hij er niet half zo dood meer uit als eerst.
Desie slaat de portieren dicht. Ik ruim de kruiwagen op en we checken voor de laatste keer alle kamers. Alles lijkt normaal, alsof de afgelopen uren met een druk op de knop zijn uitgewist. Ik zet het alarm aan en draai de deur op slot. Gijs doet mijn rugzak met de handdoeken en het pak vruchtensap om en rijdt weg op zijn scooter. Ik stap bij Desie achter in de auto.
17
We hebben de Renault met de jogger erin in een zijweg geparkeerd. Het is tien minuten lopen naar de dichtstbijzijnde bushalte. Daarna duurt het nog eens tien minuten voordat de bus arriveert. We stappen in. Er zijn nog twee vrije plaatsen.
‘Jij daar, ik hier,’ fluistert Desie.
Volkomen uitgeput ga ik zitten, naast een meisje van een jaar of acht. ‘Ik ga naar oma,’ zegt ze. ‘Helemaal alleen.’
Fijn voor je, denk ik, terwijl ik mijn ogen sluit. Ze vliegen meteen weer open als ik een vinger in mijn borstkas voel prikken.
‘Wat heb je daar?’ Het meisje bedoelt de bloedvlek op mijn trui. ‘Ketchup,’ verzin ik snel. ‘Gemorst toen ik een hamburger ging eten.’ ‘Ik heb liever frietjes.’ Ze kijkt hoe ik mijn trui uittrek en giechelt. ‘Je bent toch geen meisje?’
‘Ik?’ Dan dringt het pas tot me door. De ketting! Hoe heb ik hem kunnen vergeten?
Hét bewijs dat we in de bungalow zijn geweest. Dat we die jogger… Het klamme zweet breekt me uit en het voelt ineens alsof er een baksteen om mijn nek hangt. Ik kan het gewicht geen seconde langer verdragen en trek de ketting over mijn hoofd. Waar kan ik dat rotding laten? Ik zou het aan Desie willen vragen, maar ze zit veel te veel stoelen voor me en staart uit het raam.
‘Ben je ziek?’ vraagt het meisje.
Ik laat mijn voorhoofd tegen de rugleuning van de stoel voor me rus- ten.
‘Mama werd ook altijd ziek in de bus en het vliegtuig. Maar nu heeft ze er pilletjes voor.’ Het meisje praat maar door, over de pannenkoeken die ze straks gaat bakken en een tekening die ze heeft gemaakt. En intussen zit ik daar maar met die rotketting, die een gat in mijn hand lijkt te branden, en ik weet zeker dat ik ga schreeuwen als ik nu niet… In een opwelling leg ik hem op de schoot van het meisje.
‘Mag ik hem hebben?’ zegt ze blij.
Ik knik en slik en hoop dat mijn stem weer normaal is. ‘Jou staat hij toch veel beter.’
Als ze glimlacht doet haar hele gezicht mee.
‘Ik heb thuis nog veel meer van dat soort troep,’ zeg ik. ‘Allemaal op de
18
kermis gewonnen. Zeg dat maar tegen je oma of tegen je ouders als ze moeilijk gaan doen. Dan mag je hem vast wel houden.’
De bus stopt bij het plantsoentje aan de Jasmijnstraat. Ik struikel bijna naar buiten.
‘Dag!’ roept het meisje.
‘Wie is dat?’ wil Desie weten.
‘Weet ik veel. Gewoon een meisje.’
We slenteren naar onze huizen. Ik heb overal spierpijn, alsof ik na we- ken niets doen enorm heb gesport.
‘Ga je nog mee naar ons?’ vraagt Desie. ‘Gijs is vast al terug.’
Ik hoef zijn naam maar te horen of ik denk aan zacht, week vlees. ‘Beter van niet. Mijn moeder komt zo thuis en ik moet de sleutel nog terugleggen.’ Ik ga snel naar binnen en trek de deur dicht.
In de keuken is het stil en koel. Ik doe de sleutel in de trommel en sluit het deksel. Minnie staart me aan. Vandaag kan ik haar domme blije hoofd niet uitstaan. Ik stop haar in de kast en loop de trap op. Het lijkt eerder een berg.
Ik draai mijn trui binnenstebuiten en stop hem in de wasmand op de badkamer. Mijn handen plakken. Dezelfde handen die daarnet een dode man in zijn auto hebben gezet. Ik pomp ze vol zeep en duw met mijn pols de kraan van de wastafel open. Het gevoel van smerigheid laat zich niet wegwassen.
Ik schud de druppels van mijn vingers en slof naar mijn kamer. Op het magneetbord hangt een foto van pa met een grote dominosteen. Hij is genomen met Sinterklaas. De steen was een surprise. Ik had hem gemaakt omdat pa en ik altijd samen naar Domino Day keken en zelf ook wel eens een parkoers bouwden. Dat het omvallen van een dominosteen zo veel gevolgen kon hebben, had toen nog iets magisch. Mijn voorhoofd gloeit. Ik ga op mijn bed liggen en sluit mijn ogen. Tegen de tijd dat ma thuiskomt, heb ik veertig graden koorts.
Iemand roffelt de trap op. ‘Raza!’
Desie. Waarom laat ze me niet met rust?
‘De achterdeur was open. Mag ik binnenkomen?’ ‘Ik ben ziek. De hele week al.’
19
‘Dat zei je moeder, ja. Maar het gaat weer beter toch?’
De deur zwaait open. Dan staat Desie naast mijn bed. Ze zet mijn rugzak neer en straalt alsof ze van binnenuit licht geeft.
‘Hij leeft,’ zegt ze. ‘Ik zag hem lopen met verband om zijn hoofd. Gijs heeft hem niet doodgeslagen!’
Ik durf het niet te geloven. Dit is vast weer een koortsdroom. ‘Maar je had zijn hartslag gevoeld en je zei…’
‘Blijkbaar heb ik niet goed gevoeld. Kijk maar.’ Ze laat een filmpje op haar telefoon zien.
Het is hem! Hij ademt en hij beweegt!
‘Wat doen we als hij naar de politie gaat?’ vraag ik.
‘Zou jij naar de politie gaan als je tijdens een inbraak werd neergesla- gen?’
Het is alsof ik in een donker hol heb vastgezeten en voor het eerst weer naar buiten mag. Ik wil rennen, schreeuwen, vliegen…
‘Ik ben thuis!’ klinkt het van beneden.
Ma. Zo vroeg al?
‘Ik ga,’ zegt Desie. Bij de deur draait ze zich nog even om. ‘Als je beter bent, gaan we zwemmen.’
‘Maar dan wel in het Vlinderbad!’ roep ik haar na.
Ik heb de hele week nauwelijks gegeten, maar nu snak ik plotseling naar een boterham met kaas. Neuriënd loop ik de trap af.
Ma zit in de kamer aan de eettafel.
‘Ik voel me weer prima,’ zeg ik.
‘Fijn.’ Haar stem klinkt mat.
‘Is er iets?’ vraag ik.
Ze masseert het plekje tussen haar wenkbrauwen. ‘Mevrouw Wester- ling heeft me ontslagen.’
‘Hè?’ Mijn blijdschap slinkt sneller dan spinazie in de pan. ‘Hoezo dan?’
‘Ze beschuldigt me van diefstal.’
De jogger! Heeft hij iets meegenomen wat we over het hoofd hebben gezien?
Mijn moeder zucht. ‘Ik ben de enige met een sleutel van hun huis, zegt ze. En ik ken de code. Bovendien is er tijdens hun vakantie verder nie-
20
mand in de bungalow geweest. En voor ze weggingen, lag de ketting er nog.’
Ketting…
Mijn maag verhuist naar mijn keel.
‘Maar toen ze terugkwamen dus niet meer. Ik zei dat ik niet eens wist dat hij zo veel waard was, want hij zag er heel nep en kitscherig uit.’ Ma laat haar hoofd zakken. ‘Ze geloofde me niet. Ze zegt dat ze iedereen gaat bellen. Meneer De Bruin en de familie Karels…’
De keuken wordt een wazige vlek. Ik sta stijf rechtop, met mijn handen om de stoelleuning geklemd, maar ik heb het gevoel dat ik val en val en val, terwijl een meisjesstem in mijn hersens gilt: ‘Mag ik hem hebben?’
21

3PAK is een verhalenbundel met drie korte verhalen die speciaal geschreven zijn voor Literatour. Mirjam Mous, Helen Vreeswijk en Alex Boogers zijn de auteurs van de verhalen. De eerste twee verhalen worden online verspreid, het complete 3PAK is te verkrijgen bij de deelnemende bibliotheken & boekhandels. Informeer naar de beschikbaarheid bij jouw boekhandel of bibliotheek in de buurt!
3PAK is geproduceerd door Stichting Collectieve Propaganda van het Ne- derlandse Boek in samenwerking met Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum bv en Uitgeverij Podium. © Mirjam Mous — Domino Day, 2016 © Helen Vreeswijk — De rebel, 2016 © Alex Boogers — Vergeet Amy, 2016
Illustraties: Dagmar Roodenburg
Literatour is een initiatief van Stichting cpnb en Stichting Lezen, en wordt ondersteund door haar partners: Dioraphte, Nederlands Letterenfonds, Stichting Schrijvers School Samen- leving, Uitgeverij Malmberg, CJP, Stichting De Versterking.
Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar ge- maakt door middel van druk, foto- kopie, microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever, Sticht- ing Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, Postbus 10576, 1001 en Amsterdam.