Thijs Morlion
Aug 27, 2017 · 3 min read

Liefste,

Als een echte 18e eeuwse gentleman van weleer, kruip ik bij deze in mijn pen. Dat ik er lang over heb nagedacht, zul je waarschijnlijk wel merken. Tijd heelt immers. Tijd verwart ook. Verwarring leidt vaak tot twijfel en twijfel op zijn beurt, impliceert het menselijke denken. Net dat denken maakt ons tot wie we zijn. Mensen van vlees en bloed. Wij kunnen denken en wij kunnen voelen. Wij kunnen hopen en wij kunnen verlangen. Vóór dat alles, ís de mens.

Zijn

Jij was. Jij was een prachtvrouw. Nee. Jij bent. De verleden tijd van het werkwoord zou de waarheid immers oneer aandoen. Jij bent. Ja! Dat is het. Jij bent. Jij zal zijn. Ik had het wonderbaarlijke privilege om dit met mijn eigen ogen te mogen aanschouwen. Het duwt me meteen ook terug met de neus op de feiten dat we niet enkel gemaakt zijn om te denken, want met denken alleen kan een mens zijn geest en ziel niet voeden.

Onze ontmoeting heeft alvast een bijzonder effect gehad. Terwijl ik dit schrijf heb ik zelfs moeite om het uit te kunnen drukken. Wanneer het emotionele en het rationele elkaars pad kruisen ontstaat er precies een soort van machtsvacuüm. Met in het centrum de twijfelende ik. Het is een bevreemdend gevoel. Weer het bewijs dat twijfel duidt op de denkende mens. Zoals ik eerder al schreef, ontstaat zijn uit die denkende mens. Twijfel duidt op denken en denken spruit voort uit bestaan, dus in dat opzicht kan ik gerust zijn. Ik besta. Jij ook trouwens. En hoe!

Hoop

De hoop, of toch het hebben van een zekere mate van verwachting zoals het in de stenen tafel der letteren is gebeiteld, laat mij niet los. Het nu is de overgang tussen de geboorte en het sterven van de hoop. Het wordt gevoed door het gebrek aan kennis. Het ontspruiten van het weten, duwt de hoop de kop in. Zonder mededogen. Want van wat ooit een verlangen was, rest hoe dan ook vroeg of laat slechts heimwee. Het streepje zonlicht dat ooit door de lichtjes geopende deur piepte, nog slechts een schim.

Jij bent. Jij was. Jij zou zijn geweest. Ach, wat kan een mens toch verzinken in diepe, weemoedige gedachten. Tantalus zou als het ware spontaan gelukkig worden bij het aanschouwen van de kwelling die mijn ziel tormenteert.

Een traan ontspringt uit het zicht. Mijn troebele zicht. De rivier van mijn ziel barst uit zijn nog maar broze voegen. Langzaam ontrolt de emotie zich als een rode loper over wat men ooit als wangen heeft gedefinëerd. Ondanks het verzet, trekt de zwaartekracht een spoor van vernieling op mijn aangezicht. Ik reik. Ik reik ver. Ik reik verder. Smachtend strek ik mijn armen. Reikhalzend omarm ik de leegte.

Als een atoom worden de emoties aangetrokken en verstoten. Aangetrokken en verstoten. Seconden tikken niets vermoedend, achteloos voorbij. De traan spat open op de harde wintergrond. Moeder aarde denkt er het hare van. Langzaam dringt de traan door, tot in het diepste van haar ziel. Langzaam dringt het door, tot in het diepste van de mijne. Dat in het aanschijn van de kosmos, zelfs het meest complexe, menselijke denken behoorlijk relatief is.

Verlangen

Na de hoop is er het verlangen. Althans, kan er het verlangen zijn. Indien de kennis de hoop nog niet heeft weggeduwd, kan er inderdaad verlangen zijn. Het is dus een proces waar ik zelf graag ook voor vecht en kan voor vechten, want geef nu toe, wat is er mooier dan verlangen?! Hoop is slechts uitkijken naar de aan het onwaarschijnlijke grenzende waarheid. Verlangen daarentegen, impliceert dat we uitkijken naar een vaststaand gegeven; dat we kunnen uitreiken naar wat, na het zullen zijn, zal transformeren in het zijn. Hoop ontpopt zich dus, in het beste geval, in verlangen. Verlangen kan vervolgens lustig de wereld rondfladderen en hem opfleuren, want zonder verlangen kunnen mensen niet leven.

Laatst zat ik ‘s ochtends in mijn auto. De prachtige ochtendzon prikte net boven de horizon. Haar stralen omzwachteld door de stroken mist. Het was een prachtig zicht en bovendien de bode van een prachtige lentedag. Net zoals de zonnestralen is de hoop, mijn hoop gesluierd in mist. De mist van de twijfel. Toch weet ik dat er ooit die prachtige lentedag komt, waarbij de hoop zijn windels afwerpt en herboren wordt als verlangen. Je bent zo veraf en toch dichtbij. Liefste, ik zal hier afscheid moeten nemen. Ik heb geschreven wat ik moest schrijven, maar heb het gedaan met gans mijn ziel.

Ongetwijfeld tot later!

)

    Thijs Morlion

    Written by