Aristoteles en slavernij: een kanttekening

“…that which can foresee by the exercise of mind is by nature lord and master, and that which can with its body give effect to such foresight is a subject, and by nature a slave.”

Aristoteles claimt dat slavernij op twee manieren kan bestaan. Enerzijds kan slavernij opgelegd zijn door een onderwerper; een cultuur onderwerpt een andere cultuur en maakt de mensen van de andere cultuur tot slaaf. Dit kan ook worden beschouwd als slavernij via conventie: het is in de conventies van de onderwerpende cultuur ingebouwd dat de onderworpen slaven slaaf zijn. Daarnaast is er volgens Aristoteles de natuurlijke slavernij; sommige mensen zijn van nature slaaf en niet anders. In het citaat hierboven uit hij zijn gedachten hierover. Deze mensen worden dan ook als slaaf geboren. In onze huidige context in Aristoteles’ theorie over natuurlijke slavernij op zijn minst ongangbaar, op zijn meest ronduit belachelijk. En dit stipt in feite al een kanttekening aan bij Aristoteles’ theorie. In de omgeving van Aristoteles was slavernij iets normaals; ieder huishouden van enige status had slaven en dit was niet per se iets controversiëels. In de huidige Westerse cultuur is slavernij iets raars; er zijn nog maar weinig slaven en het idee van slavernij is over het algemeen niet geaccepteerd. Dit is nogal problematisch voor Aristoteles’ idee: als er daadwerkelijk mensen worden geboren die van nature slaaf zijn, hoe is het dan mogelijk dat er in onze huidige samenleving geen slaaf meer te vinden is? In feite zou je kunnen stellen dat Aristoteles’ theorie over slavernij slechts een weerspiegeling is van zijn eigen samenleving en de rol van slaven daarin, maar niet per se iets universeels. Aristoteles reflecteert in zijn filosofische werken op zijn eigen samenleving en context om ideëen op te doen over de natuur van de mens. Uit zijn tweeledige theorie over slavernij blijkt echter dat deze context hem ervan weerhoudt universele uitspraken te doen; hij kan alleen schrijven over wat hij kent.

Dit is natuurlijk niet Aristoteles’ schuld; iedereen is gebonden aan een bepaalde context en niemand kan hier bovenuit stijgen. Dit betekent echter wel dat het altijd moeilijk blijft om ‘universele’ uitspraken te doen en ‘universaal’ geldende wetmatigheden op te stellen. Niemand weet hoe de samenleving er over een paar honderd jaar uit zal zien, en niemand weet in hoeverre zijn of haar observaties slechts een reflectie van plaats en tijd zijn.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.