Dave Eggers en Thomas Pynchon over technologie

Big Brother is niet de overheid, maar je vrienden, je collega’s, je netwerk. Wiens boek is beter?


September 2013 was de maand waarin ook de sjieke schrijvers zich bemoeiden met technologie.

Het begon met een paginagroot essay van Jonathan Franzen in The Guardian, waarin hij tot grote consternatie van de digitale goegemeente het hele internet neerzette als ons ‘media-saturated, technology-crazed, apocalypse-haunted historical moment’. Later in september verschenen twee romans over technologie, nota bene van Dave Eggers en Thomas Pynchon, New York TimesTop 10-schrijvers, die zich niet eerder op dat terrein waagden. Zij tonen even kritische toekomstbeelden, het ene nog somberder dan het andere.

De vraag is wat de roman kan toevoegen in een discussie die elke dag wel ergens wordt gevoerd. Pynchon, Eggers en Franzen beschrijven werelden waarin bedrijven uit Silicon Valley vrijheid en democratie schaamteloos in de verkoop zetten ter meerdere glorie van het internet. Dat is normaal gesproken het domein van journalisten en non-fictieschrijvers: van het Wit-Russische wonderkind Evgeny Morozov bijvoorbeeld, van tech-sceptici als Andrew Keen en Nicholas Carr, van de sciencefiction van William Gibson of Philip K. Dick. Technologie schittert zelden op de voorpagina’s van de boekenbijlages.

En dat terwijl je in fictie een technologische ontwikkeling kan uitproberen; zien waar die toe leidt. In een roman gaat het over de ontwikkeling van de mens tegenover de wereld. Bij sciencefiction ligt die wereld ver in de toekomst, wanneer de mens geteisterd wordt door bijvoorbeeld vleesetende robots of zelfdenkende computers. Dichter bij huis wordt het interessanter. Je kan een wereld scheppen die veel op de echte wereld lijkt maar die nét niet is, een hypothetische wereld waarin technologische uitvindingen leiden tot de meest extreme gevolgen. En dan maar zien wat dat met je personages doet.

Nerds

Maar de technologie heeft een esthetisch probleem: hoe maak je een verhaal van mensen die lettertjes en cijfers typen, over een ingewikkeld en abstract onderwerp? In jarennegentigfilms als Hackers en The Net (beide 1995) is technologie iets voor de onbegrepen, maar briljante nerd: de pipse jongen met de paardenstaart en het zwarte T-shirt. En de actie vindt plaats als een door beeldschermen omgeven hacker probeert ‘systemen binnen te dringen’ of ‘mainframes lam te leggen’. Een esthetiek die al even oubollig klinkt als de geuzennaam ‘whizzkid’.

Zo ongeveer alles wat The Circle doet wordt al gedaan door Google

Maar sinds die tijd is er zo veel veranderd: er waren de cables van WikiLeaks, het Stuxnet-virus, de beursgang van de grote internetdiensten, de zelfmoord van internetactivist Aaron Swartz, de campagne van Edward Snowden en het massale aftappen van de NSA. De manuscripten voor Pynchons Bleeding Edge en Eggers’ The Circle waren toen al een tijdje afgerond. Bleeding Edge lag al begin deze zomer onder embargo bij de boekenredacties. Toen hadden beide romans gemakkelijk op de plank sciencefiction gepast, maar het nieuws heeft ze ingehaald. Snowden heeft laten zien dat anonimiteit nauwelijks meer bestaat. En enkele weken geleden publiceerde Time Magazine een cover met in grote letters:Can Google Solve Death? Dat vraagt om verhalen. En om romans. Om een andere manier van schrijven die de invloed van technologie recht doet.

De eerste pogingen verschenen al de afgelopen jaren. Gary Shteyngarts satireSuper Sad True Love Story bijvoorbeeld, of Robin Sloans Mr. Penumbra’s 24-Hour Bookstore. Onmiskenbaar goed geslaagde boeken voor de nerd. Thomas Pynchon en Dave Eggers zijn andere koek. Eggers is een publiekslieveling, een bestsellerschrijver, ook ver buiten het Engelse taalgebied. Uitgeverij Lebowski publiceert de vertalingen en kondigt Eggers altijd groot aan. Dit keer verschenen overal posters van het logo van The Circle, met daaronder alleen een internetadres. Nergens was te zien dat het hier ging om een nieuwe roman. De website decirkel.eu brengt je naar een website die ogenschijnlijk direct data gaat verzamelen. Een balkje vult zichzelf: toegang tot je persoonsgegevens, toegang tot je financiële gegevens, toegang tot je e-mails, samenvoegen, opslaan. Pas als je doorklikt, zie je dat het een marketingstunt is. Niets aan de hand: het gaat hier om een roman.

Super-Google

In The Circle draait het om een onheilspellend internetbedrijf, een soort super-Google, gecombineerd met een vleugje Facebook, een beetje Amazon en een beetje PayPal. Maar toch vooral Google, want zo ongeveer alles wat The Circle doet wordt al gedaan door Google. Hoofdrolspeler Mae mag er dankzij een vriendin komen werken en staat te trappelen. ‘My God, it’s heaven,’ zo luidt de opening. En terecht, zo lijkt het, want Eggers heeft een prachtig bedrijf verzonnen, volgens alle regels van moderne bedrijfsvoering. Iedereen is er nieuwsgierig, energiek, open voor nieuwe werknemers, het gazon is groen, de speeches van de drie oprichters zijn filosofisch en opzwepend, en op de broodjes zit ecologische zalm. Het is geen kantoor maar een community, geen fabriek maar een broedplaats. De droom van iedereen die een internetbedrijfje begint.

De motto’s van het bedrijf worden door de heilige drie-eenheid, de drie oprichters, onthuld vlak na de komst van Mae, grotesk, in kapitalen, zoals het nerds betaamt:

SECRETS ARE LIES

SHARING IS CARING

PRIVACY IS THEFT

The Circle is namelijk op weg naar de totale transparantie, of ‘completion’, zoals ze het zelf noemen. Onder de vrolijke kleuren van de campus ligt een filosofie waarin er geen geheimen meer bestaan, waarin alle informatie met iedereen gedeeld wordt. Als Mae een weekendje op haar zieke vader gaat passen, ontdekt ze wat die filosofie echt betekent. Door haar collega’s wordt ze berispt: waarom heeft ze in het weekend niets getweet? Waarom heeft ze niet laten weten waar ze was? De regels schrijven het niet voor, maar waaróm zou je niets delen over je zieke vader? Wil ze soms andere mensen met zieke vaders niet helpen? Heeft ze geen behoefte aan steun? Wil ze niet meer informatie over de ziekte? Tips over hoe ze haar vader kan verzorgen?

Dat is de wereld die Eggers ziet naderen: een wereld waarin Big Brother niet de overheid is, maar je vrienden, je collega’s, je netwerk. Informatie voor je houden is niet verboden, maar op z’n minst egoïstisch. Mae besluit haar fout goed te maken door een vlucht naar voren te maken: voortaan loopt ze dag en nacht rond met een camera om haar nek. Terwijl The Circle uitbreidt, maakt Mae carrière als postergirl voor totale transparantie. Binnen een paar weken groeit ze van junior medewerker naar werknemer van het jaar naar vrouw van de toekomst.

Hersendode imbecielen

Dave Eggers is niet meer de schrijver met de creativiteit en energie van tien jaar geleden, toen hij A Heartbreaking Work of Staggering Genius en You Shall Know Our Velocity schreef. Nu heeft hij zijn leven gewijd aan het goede doel. Geen onrecht blijft onbeschreven in zijn boeken: kindsoldaten (What is the What, 2006), noodhulp (Zeitoun, 2009) en neoliberalisme (A Hologram for the King, 2012). Laten we het de ‘Live Aid Cyclus’ noemen: nobele bedoelingen voorop. Het onrecht dat in The Circle bestreden wordt, is de expansiedrift van Silicon Valley, zoveel is vanaf de eerste pagina duidelijk. En Eggers gebruikt daarvoor de meest absurde metaforen: drones uitgerust met camera’s die mensen zonder Circle-account achtervolgen en ‘ik wil gewoon vrienden worden’ scanderen, of een transparante haai die een heel aquarium leegeet. Het punt is gemaakt, Dave Eggers.

Het levert hem veel kritiek op die neerkomt op: dit is niet hoe internet werkt. ‘How Dave Eggers gets Silicon Valley wrong’ schreef de invloedrijke blogger Felix Salmon van Reuters. The Circle klinkt ‘more than a little tone-deaf’, kopte het technologietijdschrift Wired. NRC Handelsblad noemde het ‘oppervlakkigheid, ongeloofwaardigheid en betweterig gepreek.’ De kritiek richt zich vooral op Mae Holland, de licht imbeciele hoofdrolspeler die alles van haar werkgever kritiekloos aanneemt. Zo dom is de mens toch niet?

Toch verdient Eggers een like. Zijn versie van de wereld is bewust extreem: hoe het wordt als we allemaal zulke schapen worden als Mae Holland, die kritiekloos Silicon Valley achternalopen. Hij verzint een wereld die — veel maar net niet helemaal — op de onze lijkt, waarin mensen hun vrijheid inleveren, betoverd door quasifilosofische toespraken, moderne bedrijfsvoering en onbeperkt aandacht van een miljoenenpubliek. Eggers vraagt zich niet af welke wereld er is, maar welke kan komen. En zoals in The Circle heeft hij het duidelijk liever niet.

Obscuur

Een schrijver als Thomas Pynchon zou in zo’n wereld niet kunnen bestaan. Hij leeft in zelfgekozen obscuriteit, volledig verscholen voor het publiek. Zo ongeveer de enige foto waar Pynchon duidelijk op staat, is die uit zijn jaarboek, in 1953, met een vrolijke blik en enorme hazentanden. Sindsdien laat Pynchon zich nergens zien; telkens verhuist hij om zijn fans te ontlopen. ‘Salinger hides; Pynchon runs’, zo vatte een criticus van de blog Vulture het samen. Wie anders dan Thomas Pynchon kan een pleidooi schrijven voor anonimiteit en onzichtbaarheid? Voor het recht om onder de radar te blijven?

Nu gaan onder bloggers en journalisten geruchten dat Pynchon al enige tijd een keurig familieleven leidt in de New Yorkse Upper Westside: het yuppie-walhalla. En precies daar speelt zijn nieuwste roman Bleeding Edge zich af, vlak na de internetbubbel begin 2001, maar vlak voor de aanslagen op het World Trade Center. Pynchon doet dat als altijd vol met lolligheid, idiote namen (Louche and De Toilet), pop-culturele verwijzingen (Jennifer Aniston komt ineens langs) en nerdgrapjes (over hackersconferenties waar niemand weet wie crimineel is en wie niet). Zijn boeken volledig begrijpen is een onmogelijke opgave, maar ze zijn altijd de moeite waard als je je overgeeft.

In de zomer voor 9/11 voltrekt zich in Bleeding Edge ‘a historical romance of New York in the early days of the internet’. Maxine Tarnow, moeder van twee kinderen, licht gestoord, huiseigenaar te New York, raakt haar baan kwijt en stort zich als malafide privédetective onder meer op de vermeende fraude van de enigmatische internetmiljardair Gabriel Ice. Die zoektocht leidt naar het ‘deep-web’, het gedeelte van het internet waar Google niet bij kan. Daar gaat ze op onderzoek uit, ondergronds omdat ze haar vergunning kwijtraakt, hackend, spionerend, als ze de deur uitgaat met een beretta op zak, in de wereld van internetbedrijven als DeepArcher en Hashslingerz. Alles verscholen in de duisternis, waar de echte lol is.

Dat is hoe Pynchon het esthetische probleem oplost: hij beschrijft een wereld die we verspelen. In Bleeding Edge verbleekt het gewone internet naast de anarchistische, bloeiende vrijstaat van het deep-web. Voor Pynchon is het deep-web niet alleen de dode hoek van Google, maar ook een symbool voor een vrije wereld die ook ruimte biedt aan de obscuren en de gekken.

Internetexperts

Thomas Pynchon komt er beter vanaf dan Dave Eggers omdat hij zich verre houdt van pamflettisme. De bijsluiter wordt al vroeg in Bleeding Edge geformuleerd door een hacker die zowel virussen ontwerpt als software om die virussen mee op te sporen (het verhaal zit vol met dit soort personages). Als Maxine hem ontmoet, weet ze niet wat ze met hem aan moet. Aan welke kant staat hij? ‘We’re beyond good and evil here,’ antwoordt hij, ‘the technology, it’s neutral, eh?’ Net als hacker Felix weigert Pynchon een kant te kiezen. Immers, technologie heeft het deep-web niet alleen van ons afgenomen, maar het ook ontworpen.

Ze zijn niet geïnteresseerd in de technologie zelf, maar in wat technologie doet met het leven

De kritiek dat Pynchon en Eggers internet niet goed begrijpen of onderschatten, gaat voorbij aan hun echte prestatie: een manier van verhalen vertellen die beschrijft wat internet met het leven doet. Waarschuwingen van activisten voelbaar maken, de toekomstscenario’s van journalisten op het leven toetsen.

Toen Jonathan Franzen zijn essay in The Guardian publiceerde, haalde hij zich de woede van de bloggers op de hals. Franzen stelde zich aan, begreep het internet niet, zit nota bene niet eens op Twitter. Maar de gevoelige plek die Franzen raakte, was niet het falen van de techniek, maar een intellectuele leegte die ermee tevoorschijn komt, de luiheid en het geveinsde engagement van de zelfbenoemde internetgoeroes.

Hetzelfde drijft Eggers en Pynchon. Zij zijn begenadigde schrijvers, essayisten, verhalenvertellers — geen technologie-experts. Alledrie bestaan ze eigenlijk niet op internet. Ze zijn niet geïnteresseerd in de technologie zelf, maar in wat technologie doet met het leven. Daarvoor gebruiken ze de roman, om te laten zien wat er veranderd is, wat had kunnen zijn en wat er verloren zal gaan. Op z’n minst laten ze zien wat de keuze is, de volgende keer dat Mark Zuckerberg (van Facebook) of Eric Schmidt (van Google) voorstelt dat we wat privacy inleveren voor weer een nieuwe dienst.

Ergens in Bleeding Edge verschijnt ineens de vader van Maxine ten tonele, die veel weg heeft van Pynchon zelf, en die de twee romans perfect samenvat: ‘Call it freedom, it’s based on control. Everybody connected together, impossible anybody should get lost, ever again. Take the next step, connect it to cell phones, you’ve got a total Web of surveillance. Inescapable.’

Dave Eggers, ‘The Circle’, Penguin, 320 p. De vertaling ‘De cirkel’ verschijnt 11 november bij Lebowski.

Thomas Pynchon, ‘Bleeding Edge’, Vintage, 496 p.

Email me when Tim de Gier publishes or recommends stories