Alle ballen op Brummer
Portret van een onschuldige acrobaat
Soms komt een bijzondere archiefvondst in de publiciteit. Eind juni berichtte Het Parool over de dagboeken en foto-albums van politieofficier Peter André Kater (1885–1959); recentelijk verworven door het Stadsarchief van Amsterdam. Volkomen terecht, want het is bijzonder materiaal. De aanwinst bestaat onder andere uit een boek met krantenknipsels en een ‘journaal’ over zijn eerste dagen bij de politie. Het meest tot de verbeelding spreekt echter het fotoalbum ‘Prostituees, souteneurs en verdachte personen’ dat hij persoonlijk bijhield. Vergaap je aan de haarscherpe foto’s van bijvoorbeeld ‘Bleeke Willem’, ‘Joden Leentje’ of ‘Vlaamse Ali’. Het eerste kwart van de twintigste eeuw verschenen ze allemaal voor de (politie)fotograaf.

Over Peter André Kater en zijn albums verscheen afgelopen maand een prima artikel in het Personeelsblad Politie, maar wat mij vooral fascineert zijn de verhalen achter die portretten van verdachten. Wie zijn deze mensen? Wat hadden ze precies op hun kerfstok? Waren ze bekend? Wat maakten ze mee? Wat is hun verhaal? Ik kies willekeurig één van de mugshots — want dat zijn het vooral — en aan de hand van historisch onderzoek geef ik de persoon in kwestie een gezicht. Mijn oog valt op Frederik ‘Freekie’ Brummer, ‘acrobaat’.

Donkere wenkbrauwen, grote ogen, volle lippen, een gestreepte das en een uitdrukking die zowel dromerig als onverschillig aandoet. Kater moet de foto tussen 1909 en 1917 hebben ingeplakt, wanneer Frederik met zijn ouders, vijf broers en twee zussen in een woonwagen aan de Amsterdamse Kuipersstraat woont. Daarvoor woonde het gezin op een woonschip in de Plantagebuurt. Het gezin behoort duidelijk tot de reizigerscultuur, beter bekend als woonwagenbewoners. Brummer is tussen de 16 en 25 jaar oud, ik schat hem onder de twintig. Waarom Kater hem in zijn album plakt, laat zich raden, het beroep acrobaat is namelijk niet strafbaar. Vermoedelijk is hij een zogenaamde ‘pleintjesgast’, een hangjongere, of heeft hij zich schuldig gemaakt aan een klein vergrijp. Wat ‘Freekie’ Brummer ook uitspookte, het zijn kruimels vergeleken bij de beschuldigingen die hem later ten deel vallen.
American Style!
‘Bussum, 22 juli — Opnieuw heeft zich in ons rustig en vriendelijk forensendorp een gebeurtenis afgespeeld, die in het geheele land van zich zal doen spreken door de ongehoorde vermetelheid van haren bedrijver.’
In de zomer van 1926 wordt het Gooise dorpje Bussum voor de tweede keer in een jaar opgeschrikt door een gewapende roofoverval. Na de brutale beroving van de stationschef en zijn assistent in het voorjaar is nu de Boaz-bank aan de beurt. Omstreeks kwart voor vier ‘s middags op 22 juli stapt een jongeman in donkergrijs kostuum het filiaal aan de Brinklaan binnen. Hij haalt een verfomfaaid briefje van tien uit zijn vestzak en vraagt of de man achter het loket, directeur Joosten, kan wisselen. Joosten loopt hiertoe naar achteren voor de kas. Tot zijn verbazing ziet hij de man even later, zo vermeldt De Telegraaf, ‘in een hoogst zonderlinge houding’ in het loket hangen, waarvandaan deze zich ‘met groote lenigheid’ door het nauwe loketraampje probeert te wurmen.
‘Eerst dacht men nog aan een misplaatste grap, maar het werd den heer Joosten (…) al spoedig duidelijk dat het bloedige ernst was. Luid vloekend en zich van den klassieken term “je geld of je leven” bedienend, toonde de man een revolver’.
Als Joosten orde op zaken wil stellen en de deur van de kantoor opent, maakt de man zich los en tikt hem met de kolf van het pistool op het hoofd. Zodra Joosten in elkaar zakt, verschaft de man zich toegang tot het kantoor en rent de deur uit met de zak wisselgeld. Eenmaal buiten vlucht hij per fiets. Ondanks de capriolen van een 15-jarige achtervolger en de daarop volgende valpartij weet de dader te ontkomen met een buit van 6.260,50 gulden.
Twee overvallen in slechts drie maanden, de consternatie in de gemeente is groot. Behalve de lokale pers zijn ook landelijke en provinciale bladen onder de indruk. ‘Wederom Wild-West in Bussum’ kopt De Telegraaf. Ook andere kranten trekken parallellen met het bandeloze Amerika: ‘American Style!’ (Tilburgsche Courant), ‘Amerikaansch Bussum’ (Haarlem’s Dagblad) en ‘Amerika achterna’ (Delftsche Courant).


Buitengewoon handig met de fiets
Een rondje langs de lokale usual suspects biedt de Bussumse recherche geen soelaas, niemand voldoet aan het signalement van een donker uiterlijk, enigszins gemaskeerd door zwart geschminkte ogen maar vooral te herkennen aan een ‘karakteristiek gespleten’ kin. Zelfs een lokale woonwagenbewoner, die vaker (onterecht) bovenaan het verdachtenlijstje van de politie staat, past niet in het plaatje. De verlossende tip komt van de collega’s uit Amsterdam. Zij maken melding van ene Brummer, die vaker optrekt met de woonwagenbewoner in kwestie. Brummer verkoopt kleedjes van deur tot deur in het Gooi, en trekt er dan vaak met de fiets op uit. Hij is kort geleden ontslagen uit de gevangenis en heeft een verleden als acrobaat. Dit opmerkelijke beroep — dat weinig investeringen vereist en daardoor laag aanzien geniet in kermisreizigershiërarchie — doet het kwartje vallen. Klom de overvaller niet behendig door het loket? Dat Brummer volgens de Amsterdamse politie ook ‘buitengewoon handig met de fiets’ is, komt overeen met het feit dat de dader op grote snelheid zonder handen — ‘met geheel los stuur’ — zijn achtervolgers ontvluchtte. Brummer’s arrestatie wordt de eerste prioriteit.
In 1926 woont Frederik Brummer met zijn vrouw Josephine en 9-jarige dochter Frederika in een woonwagenkamp aan de rand van Amsterdam, bij de Hemweg in het havengebied. De 31-jarige zoon van een stoelenmatter staat, behalve in het album van Kater, nergens te boek als acrobaat, wel als ‘los werkman’, scharenslijper en meer recent als ‘koopman van kleedjes’ waarbij hij ook vloerzeilen en tafellakens verkoopt. Brummer heeft een strafblad: als verdachte van inbraak werd hij in 1920 voor de rechter gebracht, Brummer’s advocaat verklaarde toen dat zijn cliënt slechts één hand kon gebruiken en dat het uithalen van ‘acrobatische toeren’, zoals klimmen bij een inbraak, niet tot zijn vaardigheden behoorde. Zou Brummer door een blessure van het acrobatenbestaan zijn afgestapt? Of zou hij daar nooit echt mee rondgekomen zijn en was hij een meer illuster pad ingeslagen? De aanklager uit 1920 schetst een grim beeld van de ‘recidivist’ Brummer, die bekend zou staan als een gevaarlijk inbreker, vaak werkloos was en bovendien met veel vrouwen rondhing op het Rembrandtplein — een pleintjesgast dus! De rechter veroordeelt de destijds 25-jarige Brummer tot vier jaar gevangenisstraf voor het stelen van honderden bontwerken, zijden blouses en borduursels. Het is de grootste smet op zijn blazoen en is een van de redenen dat hij op 26 juli rond half tien ‘s avonds bij zijn standplaats aan de Hemweg door de politie, de bankdirecteur en de 15-jarige achtervolger wordt opgewacht.

Een fel uiterlijk
Met Brummer’s arrestatie komen de tongen los. De heer Joosten herkent het ‘van woede verwrongen gezicht’ en de ‘stekende ogen’ die hem dag en nacht achtervolgen. Ook de 15-jarige jongen herkent hem als de dader. Brummer ontkent. Na het doorzoeken van zijn woonwagen en een kort verhoor ter plekke weet de politie genoeg — Brummer wordt onder begeleiding op de laatste trein naar Bussum gezet, waar het gerucht van de arrestatie als een lopend vuurtje is rondgegaan. Geboeid en wel wordt Brummer op het perron opgewacht door de burgemeester, journalisten en een kleine menigte. ‘Men kon aan zijn verwoed gezicht zien, dat de betoonde belangstelling hem niet aanstond’ schrijft een van de journalisten. Zijn donkere haar, ‘vol en lang’, gepaard met stoppelige wangen en een ‘levendig gelaat’ leiden tot de conclusie dat hij een ‘fel uiterlijk’ heeft. Als hij in de politiewagen wordt geholpen joelt het publiek.
Tot drie uur ‘s nachts wordt hij ondervraagd. Brummer blijft ontkennen ondanks de groeiende bewijslast. Zo past de kolf van het in zijn woonwagen gevonden namaakwapen, een bulldog-model, precies op de hoofdwond van Joosten. Het aantal belastende ooggetuigenverklaringen groeit bovendien gestaag, en Brummer heeft geen geldig alibi. Toch ontbreekt het belangrijkste bewijs: de buit. Die wordt niet aangetroffen in de woonwagen. Ook kan een belangrijke getuige, de bankassistente Juffrouw Sikkens, niet met zekerheid zeggen of Brummer de dader is. Wat volgt is een moeizaam onderzoek. In de weken na de overval worden talloze zaken in verband gebracht met Brummer, uiteraard de Bussumse stationsroof, maar ook poging tot oplichting in Haastrecht, beroving van een zuurkraam tijdens de Larense kermis, een inbraak in Hoogkarspel en beroving van een ‘kaslooper’ in Amsterdam. Voor alle zaken blijven bewijzen uit. Een team van twintig rechercheurs heeft ondertussen tien woonwagens op de Hemweg doorzocht, maar zonder resultaat. Hoewel er zeven getuigen zijn die Brummer herkennen, zeggen tien anderen dat ze Brummer op de bewuste dag in Amsterdam zagen. De zaak wordt verder op de spits gedreven als er in de buurt van Laren een lege advocaatfles wordt gevonden:
‘Om den hals was met een touwtje een briefje gebonden, waarop in steil handschrift met potlood geschreven stond: “Ik lach om de justitie. Jullie vinden mij nooit. De dader van de Boaz-bank.”’
Alsof de Bussumse politie het niet moeilijk genoeg heeft, wordt ze hier ook nog eens beschimpt. Het handschrift komt niet overeen met dat van de verdachte. Na een ruime maand in hechtenis, komt Brummer begin september op vrije voeten. De auteur van het briefje krijgt gelijk: de dader van de Bussumse bankoverval zal nooit gevonden worden.

Alle ballen op Freek
Hij mag dan weer in vrijheid leven, voor Brummer is de kous nog niet af. Op eigen initiatief bezoekt hij de burelen van De Gooi- en Eemlander om zijn verhaal te doen, gekleed in een grijs pak, met bruine deukhoed op en dito schoenen aan. Van zijn felle uiterlijk is niets te zien:
‘Zooals Brummer daar tegenover ons zat, net gekleed, met een welverzorgd gelaat, een weelderigen zwarten haartooi en gekuischte handen, leek hij ons allerminst zulk een bandiet toe, als men hem beschreven heeft. Dit was geen ruwe woonwagenbewoner, maar een mensch met beschaafde manieren, met iets gedestigneerds zelfs in heel zijn houding.’
Brummer doet zijn beklag. Hij is kapot gemaakt door de politie, hijzelf maar ook zijn handel. Wegens het arrest heeft hij zijn paard goedkoop moeten verkopen. Nu loopt hij met stukjes zeep langs de deuren terwijl hij voorheen een ‘goede affaire’ had in de verkoop van kleden.

Volgens Brummer begon de hetze aan zijn adres met de inbraak waarvoor hij in 1920 berecht werd. Daarna werd hij ‘opgejaagd als een hert’ en ‘geen misdrijf kon er in het land geschieden of “Freek” moest worden opgespoord.’ Overal moest hij ‘pianospelen’ — vingerafdrukken afgeven. Brummer overwoog een advertentie in de krant te zetten gericht aan dieven en moordenaars, dat zij gerust hun slag konden slaan want ‘ze pakken alleen Brummer.’ Als de Bussumse overval ter sprake komt, laat Brummer zijn rechterhand zien. De kromme vingers en grote littekens zijn het gevolg van een ernstige operatie, waarover hij niet verder uitweidt. Die stevige klap aan Dhr. Joosten kan hij dus niet uitgedeeld hebben. Het gesprek gaat vervolgens over details van de zaak, leugens die volgens hem verspreid zijn. Dat hij gekke bekken trok tijdens de confrontatie met getuigen weerspreekt hij bijvoorbeeld. Boos is hij met name over de politiefoto die is uitgelekt en de joelende menigte op het station. Het interview wordt in twee delen geplaatst op 18 en 20 september 1926. Dit zijn de laatste artikelen waarin Brummer een hoofdrol zal spelen.
Wat opvalt aan het interview in De Gooi- en Eemlander is dat de journalist Brummer loskoppelt van de reizigerscultuur (geen ruwe woonwagenbewoner), iets wat Brummer zelf ook doet. Zijn intrek in een woonwagen werd, naar eigen zeggen, slechts gemotiveerd door belastingvoordelen, en het feit dat zijn vorige huis zich in slechte staat bevond en hier een te hoge huur tegenover stond. Op het kamp noemt een dame hem ‘Gekke Dorus no. 2’ omdat hij altijd in nette pakken gekleed gaat. Mogelijk heeft Brummer weinig op met de reizigerscultuur, maar hij behoort er wel degelijk toe. Niet alleen heeft hij voor deze groep typische beroepen uitgeoefend zoals scharenslijper en handelsreiziger, ook komt hij uit een gezin dat veel verhuisde en leefde in woonschepen en woonwagens. Dat Brummer zich zo afzet tegen woonwagenbewoners, en zich misschien schaamt voor zijn afkomst, maakt duidelijk dat de reizigerscultuur in slecht aanzien staat. In deze periode proberen (vooral de kleinere) gemeenten deze nomaden te weren door bij de overheid aan te dringen op streng beleid, ondanks onderzoeken die uitwijzen dat het gedrag van deze groep, hoewel getekend door armoede en bijpassende statistieken, lang niet altijd de vooroordelen bevestigt.


Oude gewoonten
Met zijn vrouw Josephine en jonge dochter Frederika staat Brummer nog een tijdje met de wagen aan de Hemweg. In 1929 verruilen ze de woonwagen voor een woonhuis. Hoewel een tweede dochter, Berendina, in 1933 het licht ziet, houdt het huwelijk maar tot 1935 stand. Brummer zal nog twee keer hertrouwen en nog veel vaker verhuizen. Gezien het grote aantal adressen lijkt hij niet te kunnen wennen aan een vaste verblijfplaats. In 1926 stelde de Amsterdamse politie al dat Brummer regelmatig spoorloos was, je kon hem nooit meteen vinden als je hem wilde hebben. Die praktijk lijkt hij door te zetten en dat heeft waarschijnlijk alles te maken een andere oude gewoonte: crimineel gedrag.
De typering recidivist lijkt niet van de lucht te zijn. In 1938 en 1941 zit Brummer een gevangenisstraf uit en ook in de politierapporten van 1940–1945 komt hij drie keer voor. Markant is zijn arrest voor de diefstal van 4 damesmantels en een vosbont, producten waar hij in 1920 ook al mee tegen de lamp liep. In de herfst van 1942 wordt Brummer, werkloos na zijn gevangenisstraf, vermoedelijk opgeroepen voor de arbeidsinzet en verblijft een jaar in Duitsland. Desalniettemin lijkt hij de oorlog aardig te doorstaan. Als Brummer in 1943 wordt gefouilleerd heeft hij maar liefst 599 gulden en 23 cent op zak. Hij draagt een gouden dasspeld en heeft een gouden hangertje om. Zou het te maken hebben met zijn nieuwe beroep? De zeepjes zijn ingeruild voor een duurder product, Brummer noemt zich ‘schilderijenhandelaar’. Maar met zijn handel lijkt het uiteindelijk weer minder te gaan. Volgens een marktkraamvergunning uit 1952 verkoopt de dan 57-jarige Brummer ‘oude materialen en afvalstoffen’. Twee jaar later woont hij in de Voetboogstraat tegenover café’s als de Paraplu Bar en La Vie En Rose. Het is zijn laatste woonadres. Lenig zal Brummer dan niet meer zijn, rijk vermoedelijk ook niet. In 1964 sterft de voormalig acrobaat, pleintjesgast en inbreker met de grote ogen en de stoere blik op 68-jarige leeftijd.
Voor dit artikel werd gebruik gemaakt van de indexen en beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, de beeldbank van het Nationaal Archief, een twintigtal krantenartikelen via Delpher.nl en de publicatie ‘Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoners’ van Annemarie Cottaar. Lees hier het artikel over de politieofficier Peter André Kater en bekijk hier zijn album ‘Prostituees, souteneurs en verdachte personen’. Timo van Barneveld is historicus en filmmaker, gespecialiseerd in persoonlijke geschiedenis.
