Het komt van diep

Dagboek van het Dagboekarchief #3

Het is een stevig ding, deze plunjezak vol liefdesbrieven. De zak staat rechtop en is tot de rand toe gevuld. Als ik de inhoud op tafel uitspreid zie ik vergeelde paperassen, ansichtkaarten, enkele schriftjes, foto’s en blauwe luchtpostenveloppen. Ze zijn afkomstig van een Amsterdamse onderzeebootmatroos; Jacob Jansen*, en door diens zoon gedoneerd aan het Nederlands Dagboekarchief. Al schrijvend wordt de inhoud hier voor het eerst verkend.

Matroos eerste klasse op de K-XVII
De brieven zijn met name uitwisselingen tussen Jacob en zijn vriendin Julia Ebeling*, die later zijn verloofde en uiteindelijk zijn vrouw zal worden, en op een Sinterklaasgedicht uit 1948 na lijken alle documenten uit de jaren dertig van de twintigste eeuw te stammen.

Jacob is in dienst getreden van de Koninklijke Marine en ontvangt de eerste brieven tijdens zijn opleiding aan boord van Hr. Ms. Noord-Brabant in Vlissingen. In 1934 wordt hij aangeschreven als leerling telegrafist en in 1937 is hij mogelijk ook als ‘draad’ of ‘vonkenboer’, zoals telegrafisten genoemd werden, aan boord van de Hr. Ms. Sumatra, een oorlogsschip van de kruiser-klasse. Een jaar later worden de brieven gericht aan ‘Matroos eerste klasse J. Jansen, aan boord van de K-XVII’, een in 1933 gebouwde onderzeeboot die net als de vier andere ‘K-boten’ gebouwd werd om te patrouilleren in de wateren rondom voormalig Nederlands Indië. In 1938 zit Jacob dan ook in de Oost; ‘Jij zit in een moordend klimaat en ik zit in de kou.’ schrijft Julia die winter.

Boven: De K-XVII in aanbouw op de werf Feijenoord te Rotterdam, Collectie glasnegatieven en lantaarnplaatjes Koninklijke Marine. Onder: De K-XVII te water, vervaardiger onbekend.

Over zijn diensttijd is Jacob niet altijd enthousiast. Als hij op 9 april 1934 zijn geweer krijgt — toch een bijzonder moment — klaagt hij vooral over de dagelijkse exercities. Dat is niet anders tijdens de patrouilles vier jaar later, wanneer hij in het enige dagboek dat tussen de brieven vandaan komt schrijft: ‘Oefening, oefening tot in het oneindige. Wanneer zullen we afgeoefend zijn? Nooit?’ Dat hij wel eens om 7 uur in de motorsloep moest kruipen voor een zoeklichtoefening vond hij kennelijk geen pretje. Jammer voor Jacob, want onder verplichtingen van de Marine kwam je niet zomaar uit: wat dieper in de zak vis ik een bruin boekje met vouwen en vlekken, het ‘Reglement betreffende de krijgstucht.’ Op het schutblad staat Jacob’s naam in handgeschreven sierlijke letters met daaronder zijn stamboeknummer — de verwijzing naar zijn gegevens. Op het rechterblad begint het boekje met artikel 1: ‘Zij [de krijgstucht] eischt […] onafgebroken plichtsbetrachting.’

Verder gaan de aantekeningen in Jacob’s dagboek over de kwaliteit van het eten; ‘Jaloersche blikken werden naar zijn piepers geworpen, die er ook zeer goed uitzagen’ en over de dagelijkse gang van zaken; ‘Een wacht zonder eenig voorval. Na het theewater worden eenige marinebakken [grappen] verteld.’ Als de krant een bericht over een “trip” van de onderzeeboot maakt Jacob zich boos: ‘Stakkers! Ze weten niet beter. Steken hun neus overal in, en weten niets. Wat het voor ons is.’

Het zeemansbestaan is ook lang niet altijd enerverend:

‘Je slaapt altijd. Wij hebben 3 manieren van slapen: slapen, gewoon, diep slapen, nog gewoner, vanwege de warmte uit de machinekamer, bewusteloosheid, is het meest in zwang, vanwege nog grootere warmte uit de machinekamer. Nu heb ik nog wat vergeten, staande slapen, ook dat komt bij ons voor, ook hieraan geven we die eerder genoemde bewusteloosheid de schuld. Maar alleen met dit verschil, dat staande slapen gestraft wordt met meerdere dagen cel-straf.’

Tijdens zijn wakkere uren lijkt Jacob Jansen vooral aan Julia te denken.

Next letter more about our quarrel
‘Hallo oude zeerob, mopperdoosje van me.’ Jacob en Julia hebben een plagerige manier van corresponderen. ‘next letter more about our quarrel’ schrijft ze langs de vouwlijn van een envelop; een grapje, maar niet helemaal gespeend van de waarheid.

Ze missen elkaar vreselijk, dat begint al in Vlissingen. Als Jacob ‘s avonds wil studeren wordt het hem ‘te moede’: ‘zo gauw pakte ik een boek óf ik voelde me zoo alleen.’ Daarom vliegt hij de korporaal bij de eerstvolgende postronde letterlijk om de hals als de brief van Julia arriveert. Erg troostend is de brief niet. Het wordt hem kwalijk genomen dat hij haar geen zoen gaf bij hun laatste afscheid, terwijl ze daar juist om vroeg. Hierop antwoordt Jacob dat zijn vader toen van nee schudde en geeft toe dat hij, ‘stommeling’, niet durfde. Van het trapje tegen zijn voet had hij niets gemerkt.

Bewerkte foto van een negatief uit de Plunje.

Korte periodes van verlof worden afgewisseld met lange maanden op zee en als Jacob uiteindelijk naar het huidige Indonesië afreist groeit de onzekerheid bij het stel. Vragen en opmerkingen over anderen en hun toekomst samen gaan per post heen en weer. ‘Je zult wel eens gezondigd hebben’ schrijft Julia als Jacob zich afvraagt of ze hem wantrouwt. Op haar beurt schijnt Julia ‘magnetisch’ geworden te zijn en dat ze veel mannen af moet wijzen. Ook de verloving en het wachten op de bruiloft brengt veel stress met zich mee; twee jonge mensen die heel graag samen willen zijn en tegelijkertijd — ‘als tegen de berg Vesuvius’ — opzien tegen het volwassen leven. Uiteindelijk overwint het verlangen, want op elke twijfel volgt een liefdesverklaring.

Boven: Inhoud van de plunje. Onder: Envelop van één van Jacob’s laatste brieven.

Eindelijk zal ik je weerzien
‘Ik kom naar Holland!’ schrijft Jacob op 11 juni 1939 aan Julia, ‘eindelijk zal ik je weerzien, vrouwtje, eindelijk.’ Als Jacob weer thuis is kunnen ze eindelijk trouwen. Na het trouwen, zo vertelt Jacob opgewonden, heeft hij een ‘plannetje’ — de volgende reis wil hij Julia met zich meenemen. De kosten moeten nog geregeld worden, dat wel, maar voor Jacob staat één ding vast: ‘alleen ga ik niet meer naar Indië.’ Dit is één van Jacob’s laatste brieven, en hij houdt zich aan zijn woord: alleen is hij niet meer vertrokken. Maar het plannetje om samen te gaan is ook niet doorgezet: na zijn laatste reis is hij gedeserteerd. Volgens de schenker, zijn zoon, omdat hij zijn vrouw te erg miste.

Met de beslissing om te deserteren heeft Jacob mogelijk zijn leven gered: 2 jaar later, in 1941, vaart de K-XVII op een mijn en zinkt met haar 38 bemanningsleden in de Zuid-Chinese zee.

* Omwille van de privacyregeling van het Meertens Instituut zijn de namen in dit stuk gefingeerd.

Historicus Timo van Barneveld schrijft regelmatig over nieuwe aanwinsten en activiteiten van het Nederlands Dagboekarchief. Samen met Arnout Janmaat schreef hij ‘Meisje zoekt meisje’ over twee jodelende dames die in de jaren vijftig de wereld verkennen. Dagboeken vormden de basis voor deze publicatie, die in 2017 verscheen bij Uitgeverij De Geus.