Plafonddienst

Het is donderdagavond, de schaal van Beaufort is weggejaagd door de harde windstoten die al de hele dag door het land suizen. De formatie windstoten heeft zelfs de liefkozende naam Doris gekregen. De collectie wolken boven de stad zien er dreigend en grimmend uit. Af en toe schiet er een salvo regendruppels tegen de ramen aan.

Ik lig op bed, al een tijdje ligt mijn lichaam op het matras. De tijd tikt verder en zie ik langzaam verstrijken. De tijd die de nachtrust zachtaardig streelt, de maan, die onzichtbaar is, als bewaker van de nacht. Buiten hoor ik een stroef tandwiel strijden tegen het hondenweer, de beschonken fietser heeft er overduidelijk moeite mee. Ik hoor de motoren van een verdwaalde bestuurder door de straten.

Het zijn de geluiden waar ik normaal gesproken doorheen zou slapen, maar vannacht is alles anders. Vannacht worstel ik met mijn dekbed, met mijn slaaphouding. Het frustreert me zo erg dat ik op het punt sta op het kussen (te) slopen. Uiteindelijk vind ik een positie die mijn onrustige nacht een beetje draaglijk maakt, op de rug, met de handen onder mijn hoofd.

Daarmee heb ik de slaap nog niet te pakken. Ik kijk naar boven, waar een ruime anderhalve meter boven mij een lamp hangt, omgeven door een groot wit vlak. Een groot wit vlak die door de duisternis korrelig is geworden. Ken je dat? Dat als je maar lang genoeg in het donker staat je zicht vol pixels komt. Je ziet nog wel de contouren, maar de kleur verdwijnt in een grote donkere massa.

Ik kijk nog steeds naar dat grote witte vlak boven mij en realiseer me dat ik ben in geklokt voor de plafonddienst van vanavond. Het kijken verandert langzaam in een langdurige staarwedstrijd met het plafond. Het witte vlak transformeert in een groot canvas waar mijn gedachten vrij spel hebben. Een groot canvas waarmee mijn hersenspinsels aan de gang kunnen. Ik zie een strook rode verf verschijnen, een sierlijke streep die zich over de volledige lengte van het plafond af tekent.

Het is het startsein voor een verschijning van tekeningen, scenario’s die zich in de meest heldere palletkleuren laten zien. Scenario’s waarbij ik de hoofdrol speel, doemscenario’s die mij bang maken. Ik zie mezelf als kind, als tiener, als onzekere jongvolwassene voor me verschijnen. Het zijn scenes die alle spieren en vezels doen aanspannen, die de bron van transpiratie open zet. Het zijn mijn grootste angsten die ik voor de kiezen krijg.

Ineens val ik weg en ben ik door Klaas Vaak meegenomen naar Dromenland. Het is inmiddels ontzettend vroeg in de ochtend, de wind is gaan liggen, de formatie wolken is een stuk minder dreigend dan acht uur geleden en ik ben eindelijk in slaap gevallen. De worstelingen van de nacht hebben me uitgeput, mentaal gesloopt en tot het einde van mijn Latijn gebracht.

Het is een reflectie van mijn gedachtengang, die staarwedstrijd met het plafond. Ik heb de neiging om altijd iets te vinden waar ik niet tevreden over ben, meestal betrek ik dat op mezelf. Ik kan me heel erg druk maken over hoe ik handel, over hoe ik over kom op mensen, over de fouten die ik maak. Ik kan me volledig opvreten over datgene wat ik heb gedaan in een beschonken toestand, terwijl niemand het er meer over zal hebben.

Ik kan me ontzettend veel zorgen maken over wie ik ben of over wie ik wil zijn. Ik kan mezelf nog steeds de schuld geven over een gebeurtenis waar een schuldvraag helemaal niet relevant is en toch doe ik het. Het zijn vraagstukken waar ik in het holst van de nacht over struikel, ik weet altijd wel iets waarover ik me, volgens mezelf, zorgen over moet maken.

Het is al een stuk minder dan een tijdje terug, toen was het plafond mijn ‘beste vriend’ en sparringspartner. Ik weet nu beter hoe ik om moet gaan met de zorgenkindjes die in mijn bovenkamer rond huppelen, maar ik ben er nog lang niet. Tot die tijd zal ik zo af en toe op freelancebasis op het donkerste moment moeten in klokken, in klokken voor de plafonddienst.