Er was eens een goede man die een slechte handeling deed

‘I am not asking what he can achieve but what he desires.’— (St. Augustinus, On the Free Choice of the Will, Book 1; I.4.9.24)

Augustinus (354–430) was één van de eerste belangrijke grondleggers in het christelijke denken. Een groot probleem echter voor zijn overtuigingen was het probleem van het kwaad in de wereld (dit wordt binnen de filosofie veelal the problem of evil genoemd; zie voor uitleg van deze term de Stanford Encyclopedia of Philosophy - ‘The Problem of Evil’). Hij zocht daartoe voor een oplossing van het kwade in een wereld die door de almachtige en goede God is geschapen, en vond deze in de vrije wil van de mens. In het kort wil Augustinus hiermee zeggen dat het niet God, noch de natuur is die het kwade veroorzaakt, maar de mens zelf.

Om de mens hierover zelf de verantwoordelijkheid te geven komt Augustinus dus met het idee van de vrije wil. Deze kan volgens hem op twee manieren functioneren. Enerzijds is er de goede wil — die zorgt voor goede handelingen, goede opvattingen en een zuivere ziel die gericht is op het eeuwige (goede) leven — terwijl er anderzijds de aardse ‘slechte’ of zwakke ziel bestaat, die zich laat leiden door lichamelijke begeerten, ondeugdelijke emoties en tijdelijk genot. In zijn stuk On the Free Choice of the Will verwerpt Augustinus overduidelijk deze tweede vorm van de menselijke vrije wil, maar merkt hij daarbij wel iets op. Deze passage kwam bij mij over als zodanig opmerkelijk, dat ik ervoor gekozen heb deze nader te bekijken.

Augustinus maakt namelijk het fundamentele verschil tussen de wil die iemand heeft om iets te doen aan de ene kant en aan de andere kant de daadwerkelijke uitvoering van deze wil in handelingen die een individu (kan) uitvoeren. Zelf omschrijft hij het in zijn werk als volgt, wanneer zijn gesprekspartner Evodius vraagt naar het herkennen van een slechte handeling of een slecht persoon: ‘I am not asking what he can achieve but what he desires.’ (St. Augustinus, On the Free Choice of the Will, Book 1; I.4.9.24) Hiermee verdedigt hij ook het feit dat een goed persoon af en toe een slechte handeling kan uitvoeren (lees: ‘[that] what he can achieve’), omwille van het hebben van een goed, eervol en/of waardig doel (of desire). De handeling is op zichzelf staand weliswaar fout, maar kan in een grotere context toch bijdragen aan een goed doel en afkomstig zijn van een goed persoon. Dit alles zonder dat de wil van de persoon of de persoon zelf per se slecht hoeft te zijn. Met dit idee van Augustinus komen een aantal zaken in een ander daglicht te staan.

Allereerst zou het in een consequent en rechtvaardig rechtssysteem zoals wij dat vandaag de dag kennen lastig zijn om mensen niet te veroordelen aan de hand van dat wat zij hebben gedaan (achieved), maar eerder te kijken naar wat de persoon hiermee beoogde te bereiken (zijn desire). Uiteraard word in ons rechtssysteem zorgvuldig gekeken naar motieven en omstandigheden, maar de nadruk ligt en zal liggen op dat wat is voorgevallen en daar waar de persoon voor terecht staat. Augustinus zou in het extreme geval van een psychopathische, egoïstische en gierige kluizenaar tegenover een oorlogsmisdadiger die strijd voor zijn vrijheid en veiligheid, zonder problemen de kluizenaar als slechter persoon bestempelen dan de oorlogsmisdadiger. Dit terwijl de kluizenaar in zijn leven misschien nooit een vlieg kwaad heeft gedaan, terwijl de oorlogsmisdadiger al vele moorden op zijn naam heeft staan. Nogmaals, in Augustinus’ woorden: ‘I am not asking what he can achieve but what he desires.

Daarnaast is Augustinus’ idee van de cruciale rol van het desire van een persoon een ongelofelijk arbitrair gegeven. Want wie bepaalt wat de dieper gelegen motieven van een persoon zijn van waaruit hij handelt? En wie bepaalt vervolgens of dit goed of slecht is? Normen, waarden en doelen zijn veelal abstracte, moeilijk definieerbare begrippen. Dit maakt dat rechtspraak — of in ieder geval een moreel oordeel over wat goed of slecht is — lastig is wanneer we niet kijken naar wat iemand daadwerkelijk gedaan heeft, maar eerder zijn motieven onderzoeken. Om dus zowel praktische (desires zijn een stuk minder objectief te onderzoeken dan dat wat achieved is) als morele redenen denk ik hierom dat Augustinus’ systeem van goed en slecht handelen ontoereikend is wanneer we het over zaken in onze samenleving hebben. 










Like what you read? Give Tim Overkempe a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.