Vragen bij Spinoza’s idee van één eeuwige en oneindige substantie

Spinoza komt in zijn stuk Ethica met het idee dat alles — de aarde, de mens, het dier en zelfs een stoel — is opgebouwd uit één en dezelfde eeuwige en oneindige substantie. Dat dit een radicale stelling is, moge duidelijk zijn. Maar dit idee van de ‘eeuwige substantie van waaruit alles is opgebouwd’ brengt ook nog een aantal andere opmerkelijke zaken met zich mee. In deze mediumpost wil ik ingaan op een aantal vragen die mij te binnen schieten bij het lezen en proberen te begrijpen van Spinoza’s Ethica, waarin ik me zal focussen op zijn noties van oneindigheid en eeuwigheid.

Allereerst is er de vraag hoe en in welke vorm er een gemeenschappelijke eigenschap kan bestaan van alles (!) wat in onze werkelijkheid bestaat. Spinoza zelf betoogt dat alle materie — elk ding in de werkelijkheid — noodzakelijkerwijs twee eigenschappen bezit, te weten: uitgebreidheid en het vermogen om te denken. Om deze these aannemelijk te maken, geeft Spinoza aan dat deze eigenschappen per ding (e.g. de mens, de natuur, een stoel of een dier) in meerdere of mindere mate ontwikkeld kunnen zijn. Zo heeft bijvoorbeeld de mens het vermogen om te argumenteren en te redeneren, terwijl een stoel hiertoe niet (of in veel mindere mate, aldus Spinoza) in staat is. Beide dingen hebben echter de eigenschap van ‘denken’ gemeenschappelijk. Discutabel blijft het of Spinoza hiermee daadwerkelijk zijn idee van één absolute substantie onderbouwt, of dat hij hiermee eerder een ad-hoc-hypothese geeft voor zijn theorie, opdat deze niet eenvoudig — zoals in het voorbeeld van de denkende mens tegenover de niet-denkende stoel — ontkracht kan worden.

We gaan nog even verder met het beeld van de denkende mens. Een belangrijk kenmerk van het menselijk denken is haar vermogen om zich uit te drukken en te communiceren: voor de mens is taal van groot belang. Het spreken, begrijpen en interpreteren van taal en de hieraan verbonden betekenis is echter problematisch in Spinoza’s wereldbeeld. Hij heeft namelijk, zoals eerder uitgelegd, betoogt dat alles noodzakelijkerwijs de twee gemeenschappelijke eigenschappen bezit: uitgebreidheid en denken. Nu is het voor mij zowel contra-instinctief als irrationeel om te denken dat dingen als taal — en in het bijzonder betekenis — een materiële vorm hebben, gegeven de eigenschap van uitgebreidheid. Voor Spinoza zal het erg lastig zijn om zijn these van een materiële taal en betekenis staande te houden tegenover andere (hedendaagse of contemporaine) opvattingen over taal, geest en betekenis — denk bijvoorbeeld aan moderne vraagstukken over qualia of bijna-doodervaringen. Ik denk dan ook dat zijn idee van een zowel materiële als denkende substantie in het geval van taal en betekenis tekortschiet.

Na het stellen en analyseren van deze vragen, denk ik te kunnen concluderen dat Spinoza’s idee van één eeuwige en oneindige substantie niet alleen erg radicaal van aard is, maar ook zeer onwaarschijnlijk en moeilijk houdbaar tegenover andere filosofische en wetenschappelijke theorieën.

Like what you read? Give Tim Overkempe a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.