De reactionaire helden van het Westen

Dit stuk verscheen in eerste instantie in Slovo, het magazine van studievereniging Radost.

Elke machtsverhouding moet zichzelf kunnen legitimeren. Het is dan ook geen toeval dat het pseudowetenschappelijk racisme haar hoogtij vierde in tijden van slavernij: het onderdrukken en tot slaaf maken van Afrikanen had een logische en legitimerende redenering nodig. Recentere legitimeringen hebben ook alles te maken met Westerse overheersing. De (inmiddels) aantoonbaar onjuiste casus belli voor de Irak-oorlog is zo’n voorbeeld; Saddam Hussein had Weapons of Mass Destruction, zweerde Colin Powell bij de Veiligheidsraad van de VN. Deze leugen werd overgenomen door loyale media en de leugen werd al snel als waarheid behandeld. Op magere voorwendselen werd Irak platgebombardeerd. Tegenwoordig, in tegenstelling tot de tijd onder Saddam, faciliteert Irak netjes de internationale oliehandel.

Dit is een flagrant voorbeeld van de invloed van een machthebber op informatiestromen. Maar er is meer dan één ronkende speech bij de Veiligheidsraad nodig om discours te beïnvloeden: ons beeld van andere — al dan niet vijandige — landen is vaak het product van een veel langer proces. Manufacturing consent, noemt Noam Chomsky dit uitgebreide beïnvloeden van de publieke opinie, dat als doel heeft genoeg publieke instemming te vergaren om een bepaald (buitenland)beleid uit te kunnen voeren.

Het ineenstorten van de Sovjet-Unie betekende dat de Verenigde Staten, met West-Europa aan de rechterhand, de onbetwiste hegemoon werd. Dit heeft vooral een ingrijpende verandering betekend voor de voormalige communistische landen en — dit project van onderwerping loopt nog — voor de landen die niet hebben ingestemd met Euro-Amerikaanse overheersing. Het Westers kapitalisme is, na een relatief kortstondige uitdaging van 69 jaar communisme, opnieuw oppermachtig in de wereld. De Koude Oorlog was de langste periode waarin het Westen collectief aan de beeldvorming van één eenduidige vijand heeft gewerkt. Het beleid van de Verenigde Staten tegen de Sovjet Unie is in het Westerse binnenland gepaard gegaan met een hevige, langdurige anticommunistische campagne.

Deze campagne putte gedurende de Koude Oorlog uit een onverwachte bron: de Sovjet intelligentsia. Er zijn meerdere verklaringen mogelijk waarom het steeds populairder werd onder intellectuelen om Westers kapitalisme en imperialisme te verdedigen. Volgens politicoloog Michael Parenti had dit alles te maken met de berichtgeving en publieke opinie in de Sovjet-Unie. Er werd gerapporteerd over ongelukken, uitbuiting, onderdrukking en protesten van arbeiders in de kapitalistische wereld, maar over het eigen land werd weinig negatiefs vermeld. Dat (bijna) kritiekloze optimisme over de eigen stand van zaken conflicteerde met de dagelijkse realiteit, waardoor het nieuws door veel intellectuelen werd gewantrouwd — ook wanneer het nieuws over uitbuiting en armoede in de kapitalistische wereld wèl waar was. Tegelijkertijd was het Westen bezig met het verspreiden van de zogenaamde schitterende successen van het kapitalisme aldaar, waartegenover de Sovjet Unie als onderdrukkende antithese van de vrije markt werd neergezet. Dit bereikte ook de wantrouwende en cynische intelligentsia, op zoek naar nieuws over hun land, die als gevolg een compleet dromerig, onrealistisch en eenzijdig beeld van het kapitalisme kregen. In de Wall Street Journal beschreef de conservatieve David Brooks zo’n typische Moskouse Sovjetintellectueel: “Hij is de meester van minachting en heeft het idee dat zijn wereld wordt bestuurd door imbecielen. … Zijn antwoorden op alle problemen zijn duidelijk — democratie en kapitalisme. … Deze intellectuelen houden van Ronald Reagan, Marlboro, en het Zuiden in de Amerikaanse Burgeroorlog.” Dit profiel lijkt ook te wijzen op een soort verongelijktheid: de Sovjetintellectueel vindt wellicht dat de “proletarisering van de universiteit” (zoals Stalin dat noemde) ervoor heeft gezorgd dat hij, in tegenstelling tot de intellectuelen in het kapitalistische Westen, niet het respect krijgt die hij verdient.

Dit respect — en het geld dat erbij hoort — kregen deze intellectuelen wel zodra ze vertrokken uit de Sovjet Unie en als Sovjet-dissident optraden in het Westen. Hoe meer de intellectueel de Sovjet-Unie aanviel en Amerikaans imperialisme verdedigde, hoe beter. Dit was niet toevallig: veel van het werk van anticommunistische Sovjet-dissidenten werd gesponsord door de Congress for Cultural Freedom, een lobbygroep waarvan later is onthult dat deze werd gefinancierd door de CIA. Eén van de bekendste van dit soort intellectuelen is Aleksandr Solzjenitsyn, een man die David Brooks’ profiel perfect past. Zijn werk over de Goelags in de Sovjet-Unie werd (en wordt nog steeds) vaak aangehaald — in tegenstelling tot een ander onderdeel van Solzjenitsyns wereldbeeld. In zijn werken verwijst Solzjenitsyn namelijk vaak met wantrouwen naar de aantallen Joden in instituties zoals het Rode Leger, de NKVD (later de KGB) en de Politburo. Ook werden volgens hem Joden in de Goelags “zachter” behandeld. Richard Piper, een Joods-Amerikaanse professor die wat betreft anticommmunisme weinig politieke meningsverschillen met Solzjenitsyn op nahield, schreef in 1985 dat Solzjenitsyn “ongetwijfeld in de greep is van het Russische extreemrechtse beeld van de revolutie, namelijk dat het een daad van de Joden was.”

Een andere dissidente intellectueel was Andrej Sacharov. Vanaf de late jaren ’60 werd Sakharov al vlug het lieverdje van de Westerse (media)elite. Terwijl zijn populariteit toenam, groeide ook de beweging tegen de bloedige Vietnamoorlog. Als “mensenrechtenactivist”, zoals hij sinds die tijd te boek staat, zou je verwachten dat Sacharov bij deze strijdbare beweging aansloot. Maar niets is minder waar. Sacharov berispte de beweging met regelmaat en pleitte voor een militaristische “verdediging van de democratie” in Vietnam en andere landen — net als Solzjenitsyn overigens, die vond dat de VS het communisme niet hard genoeg bestreed. Deze uitgebreide “verdediging” heeft een groot aantal Vietnamese levens gekost: alleen de burgerdoden tellen volgens meerdere schattingen al meer dan een miljoen.

Ook over het gebrek aan democratie of de schendingen van mensenrechten in de VS-gesteunde fascistische dictaturen van Pinochet in Chili en Suharto’s Indonesië had Sacharov het niet. Sterker nog, hij juichte de coup toe die Pinochet in 1973 aan de macht hielp. Dat deze meningen perfect overeenkomen met die van het Pentagon is geen toeval: de nauwe verbinding met de Westerse elite was het eerste contact dat Sacharov met het Westen aanging. Op deze manier ontwikkelden Sacharov en Solzjenitsyn als Sovjet-dissidenten een medeafhankelijkheidsrelatie met de Verenigde Staten die ervoor zorgde dat zij niet alleen critici van de Sovjet-Unie werden, maar voornamelijk voor het karretje van het kapitalistische machtsblok van de Verenigde Staten werden gespannen.

Deze Westerse omarming van Sovjetdissidenten is dus cynisch. In tegenstelling tot het beeld dat om hen heen is gecreëerd, stonden deze mensen niet principieel voor een wereld die mensenrechten in een hoog vaandel houdt en vrij is van onderdrukking; zij stonden louter voor de macht van het Westen. Deze intellectuelen kunnen dus niet, zoals dat nu vaak gebeurt, zomaar als ‘neutrale’ denkers gezien worden: zij behartigden voornamelijk de belangen van hun financiers en de nieuwe elite aan wie zij zich verbonden hadden.

Nog steeds wordt door het Europees Parlement de Sacharovprijs uitgereikt en wordt over het fundamentele antisemitisme van Solzjenitsyn nauwelijks gesproken. Het mag duidelijk zijn wie de Koude Oorlog gewonnen heeft: ons discours is van Amerikaanse belangen compleet doorweekt.

In de 21ste eeuw, nu Rusland en de NAVO-landen zich opnieuw antagonistisch verhouden, gebeurt ongeveer hetzelfde. Over Nadia Savchenko, bijvoorbeeld, de favoriete verzetsheld van Westerse media, lezen we nooit haar openlijke minachting voor Joodse mensen. De uitspraak “ik haat Jidden” verdedigde zij overigens op een wijze die ons weer aan Solzjenitsyn doet denken: Oekraïners kunnen niet antisemitisch zijn, stelde Savchenko — “80% van de regering is joods.”

En wat te denken van Aleksej Navalny? Mochten we louter de BBC en de Volkskrant lezen zouden we nooit te weten komen over de werkelijke politieke doeleinden van deze “anti-corruptie blogger”. We lezen nergens over het keiharde racistische nationalisme van de “activist”: Navalny noemde Georgiërs eerder “knaagdieren”, moslims “kakkerlakken” en pleitte hij voor het uitzetten van alle Georgische Russen. Navalny organiseerde in 2006 ook de “Russische Mars”, een zeer rechtse demonstratie die nationalisten en neo-nazi’s verenigde tegen islamitische immigranten. Maar zodra men in het Westen merkt dat zijn acties tegen Poetin succesvol worden, bombarderen onze redacties hem tot “charismatic opposition leader” en ontbreekt ineens de kritische analyse die de meesten niet gespaard blijven.

Mijn punt is niet dat alle gevangenen in de Goelag het verdienden of dat Sacharovs analyses van misbruik van macht in de Sovjet-Unie compleet onwaar zijn. Mijn punt is ook niet dat Donetsk aan Rusland toebehoort of dat Poetin onuitgedaagd moet blijven. Wat wel duidelijk moet zijn, echter, is dat een wereldbeeld is geconstrueerd dat het Westen schetst als morele overwinnaar, die ondanks vermaledijde niet-Westerse pogingen fier overeind blijft. Dit perspectief groeit niet uit onze individuele analyses van de geschiedenis, nee — de geschiedenis is reeds voor ons geïnterpreteerd. Zo kan Sacharov te boek staan als ontwapeningsactivist terwijl hij elke Amerikaanse militaire invasie heeft verdedigd. Als wij ons niet kritisch opstellen tegenover de macht en het discours dat het produceert, worden wij fans van antisemitische helikopterpiloten, citeren wij antisemitische filosofen, praten wij massamoord in het Mondiale Zuiden goed en vieren wij de winsten van een ultranationalist. Macht schrijft geschiedenis. Dankzij kritische, activistische mensen van kleur beseffen steeds meer mensen dat een dekolonisering van het curriculum moet plaatsvinden om met ons koloniaal discours te breken. Het narratief dat zorgvuldig is geproduceerd in de Koude Oorlog laten we echter liever onaangetast.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.