Bij de gratie Gods

D66 heeft een voorstel ingediend om de zinsnede “bij de gratie Gods” te schrappen uit de aanhef van nieuwe wetten.

Van Veldhoven:

“De vermelding van “bij de gratie Gods” bij ondertekening van wetten is in strijd met onze scheiding van Kerk en Staat. De soevereiniteit ligt in Nederland bij de mensen, niet bij een God. Kiezers stemmen op volksvertegenwoordigers, die namens hen wetten maken. Dat wetgevingsproces hoort in onze democratie neutraal te zijn. Maar de “gratie Gods” verbindt dit proces met religie en dat is niet de bedoeling.”

En uit het NRC:

Nu de meerderheid van de Nederlanders niet langer zondags ter kerke gaat dan wel een ander geloof aanhangt dan het christendom, moet het afgelopen zijn met het „vermengen van gezag en godsdienst”

Ergens haakt er iets bij mij. Laat ik er even bij zeggen dat ik wel eens op D66 heb gestemd in het verleden, dus ik ben geen fervente D66 tegenstander. En ik snap ergens ook wel dat de formulering: “bij de gratie Gods” weinig betekenis heeft voor mensen die het bestaan van een hogere macht uitsluiten.

Dus waarom haakt het? In de eerste plaats vraag ik me af waarom dit de energie waard is. Je zou zeggen dat er relevantere zaken zijn, die meer invloed hebben op de rechtsgelijkheid in onze samenleving. Ik zou graag willen weten in welk opzicht deze formulering daadwerkelijk negatieve consequenties heeft voor de manier waarop onze samenleving werkt. If it ain’t broke, why fix it?

Daarnaast vind ik het ook niet zo’n sterk argument om iets uit de formulering the schrapen omdat de meerderheid van de Nederlanders niet langer zondags ter kerke gaat. Dat lijkt ergens haaks te staan op de andere reden die genoemd wordt: “Dat wetgevingsproces hoort in onze democratie neutraal te zijn.” Als dat waar is, waarom wordt dan nu plotseling het geloof in het niet bestaan van een God maatgevend in de formuleringen in onze wetgeving? Is ergens fervent niet in geloven plotseling neutraler dan ergens fervent wel in geloven?

Verder vind ik het interessant dat de formulering in het verleden juist is geïnterpreteerd als een beperking van de macht van de koning; je zou zeggen: dit moet D66 aanspreken.

Tot slot: ik ben geen staatskundige, maar als ik de formulering goed bekijk dan zegt de formulering helemaal niets over de bedenkers van de wetten, maar alles over de ondertekenaar, ons staatshoofd. Kunnen we het niet gewoon aan ons staatshoofd overlaten hoe hij aankijkt tegen zijn eigen positie? Ik heb geen idee hoe ZKH het ziet, maar het lijkt mij eerlijk dat als hij er van overtuigd is zijn rol te vervullen bij de gratie Gods, hij ook met die formulering mag ondertekenen. En ook dat als hij daar niet van overtuigd is, dat dan ook mag aangeven.

Als ik daar ook een mening over heb, als ik vind dat hij wèl bij de gratie Gods zijn rol vervult, dan heeft dat verder geen enkele consequentie voor zijn opvatting. Misschien kan ik hem met argumenten overtuigen, maar ik zou in geen geval moeten proberen hem via een wet een opvatting in de mond te leggen die hij niet huldigt. Ik denk dat we meer gebaat zijn bij helderheid dan bij een toneelstukje.

Kortom: daar ben ik dan ook een voorstander van: laat Willem Alexander gewoon lekker zelf bepalen of het wel of niet in de formulering moet worden opgenomen. Lekker duidelijk, dan weet iedereen waar hij aan toe is.